[p. 71]

II.
Fernando.



[p. 72]

 ‘Avec nos camps vainqueurs, dans l'Europe asservie,
 J'errai, je parcourus la terre avant la vie:
 Et, tout enfant encor, les vieillards receuillis
 M'écoutaient, racontant, d'une bouche ravie,
 Mes jours si peu nombreux et déja si remplies!
  
 Chez dix peuples vaincus je passai sans défense,
 Et leur respect craintif étonnait mon enfance.
 Dans l'âge ou l'on est plaint, je semblais protéger.
 Quand je balbutiais le nom chéri de France,
      Je faisais pâlir l'étranger.
  
      Victor Hugo, Mon enfance.


[p. 73]

Fernando

415
 De zomerzon verdoofde in 't Middellandsche meir
 Heur gloed en boog het hoofd by Herkles zuilen neêr. 416  
 De maan verrees, en scheen, door hemelschblaauwe baren
 Gewiegd, op Algiers wal beschermend neêr te staren;
      Want havenmuur, moskee, Casobe en torentrans, 419  
420
      't Prijkt alles, door heur licht getooid, met zilverglans,
 En toont, veréénigd met valleien, bosch of reede,
 De kleur, die 't oog behaagt, de witte kleur der vrede.
      Zie, hoe de vuurbaak, door de sneeuw des tijds vergrijsd, 423  
      Aan d'oever als een reus ten hoogen hemel rijst,
425
 En met zijn trotschen stal, thands vlam noch lichtgloed kwekend, 425  
 Een breede schaduw op de zachte gloojing teekent
      Des driehoeks, die bebouwd met huizen, en beplant
      Met Cactus, palmen en granaten, een warand 428  
 Vertoont, te schoon, dan dat voortaan een roofgebroedsel,
430
 Daar nestel' en de traan der onschuld zwelg' ten voedsel.
      ô Schoone stad! de kleur, die u thands luister biedt,
      Is 't sprekend zinbeeld van uw wreede meesters niet.
 Vertoondet gy 't blazoen dier monsters ons volkomen, 433  
 Dan waart gy rood, als 't bloed, dat zy zoo vaak doen stroomen!
435
      Neen, dat zoû 't hoofdental, dat door hun zwaard gemaaid, 435  
 416  Herkles zuilen: de voorgebergten ter weerszijde van de straat van Gibraltar.
 419  Casobe: ommuurde kernwijk met citadelfunctie, niet toegankelijk voor vreemdelingen.
reede: ligplaats voor schepen.
 423  vuurbaak: vuurtoren.
 425  stal: gestalte.
 428  granaten: bomen met fraaie rode bloesem en appelvormige vrucht.
 433  blazoen: wapen(schild).
 435  zie Aanteekeningen, pag. 116.


[p. 74]

 
      Uw wal omgordt, en in wiens hair de nachtwind waait
 Uw stedenvendel in een pantherhuid verwandelen, 437  
 Als 't beeld van wreedaarts, die hun lijken zelf mishandelen.
  
      Daar, waar de Keizersburcht haar vijftal torens, stout
440
 Op d'Eedlen, naar wiens wil zy eenmaal werd gebouwd, 440  
 Naar boven heft, ten spijt der fransche legervendelen,
 Wier Veldheer, vast van wil, heur poorten tracht te ontgrendelen,
      En haar de lendnen op te rijten, door een bui
      Van bomben, by 't rumoer van trom en brandgelui,
445
 Ziet men aan d'ingang van een grijze walhoektoren
 Een wachtvuur branden, en een fakkel somber gloren.
      Twee krijgers zitten daar, met afgewend gelaat:
      De ééne is een krijgsgevangne, en de andre een renegaat.
 Die krijgsgevangene is een held van 't fransche leger:
450
 Fernando de andere; in den schemeravond steeg er
      Een grenadierental, stil, met geveld geweer 451  
      Den burchtmuur op. 't Geschut wierp allen stervend neêr;
 Eén uitgezonderd, die, in wanhoop, 't durfde wagen,
 Zoo min naar 's vijands moed als zijn getal te vragen.
455
      Omsingeld, waar' hy wis door de overmacht verplet,
      Had niet Fernando hem van 't doodsgevaar gered,
 Met al dien heldenmoed, den stervling aangeboren
 Als 't vaderlandsch gevoel in hem heur stem doet hooren.
      Gelijk een moeder, die een langverloren kind,
460
      En reeds als dood betreurd, op eenmaal wedervindt,
 Maar aan 't gevaar ten prooi, en door de schrikbre kaken
 Des doods begrimd, haar moed in volle kracht voelt blaken
      By 't zalig wederzien, en wat haar tegenstaat
      Verwint, of met haar telg den dood in de armen gaat;
465
 Zoo stelt Fernando, by het weêrzien van een broeder,
 Een dierbren landgenoot, een Gauler, zich ten hoeder 466  
 437  verwandelen: veranderen.
 440  d'Eedlen: Karel V (zie Aanteekeningen, pag. 114).
 451  grenadier: keursoldaat van de infanterie (oorspronkelijk handgranaatwerper).
 466  Gauler: Fransman.


[p. 75]

 
      Des zwakkren, en verzorgt, hoe de Algerijn ook woed',
      Hem mild met spijs en drank by 's wachtvuurs rooden gloed.
 Maar somber is 't gelaat des krijgsmans, en zijn oogen,
470
 Beschaduwd door een paar gitzwarte wenkbraauwbogen,
      Getuigen van de smart, die hem de ziel beweegt,
      Dat hem een landgenoot, die vijand is, verpleegt.
 ‘Waarom?’ (dus roept hy 't uit, terwijl de grove vingeren 473  
 De lokken van zijn baard zich om de knokklen slingeren),
475
 ‘Waarom mocht in dit uur by 't moedig strijdwaarts gaan,
      Op geen der kogels ook mijn naam geschreven staan?
 En moest een bastertzoon van 't edelst volk der wareld
 My 't leven schenken? -’ In zijn moedige oogen parelt
      Een traan: Fernando grijpt beledigd naar het staal;
480
      Maar ernstig luidt op nieuw des krijgsgevangne taal:
      ‘Neen, steek dat lemmer op, of zoo gy 't wilt ontblooten,
 Lang dan mijn hand een zwaard, om 't my in 't hart te stoten, 482  
      Eer 't vuur der gramschap, dat by u in vlammen slaat,
      Op u de zwaarte van een tweede bloedschuld laadt;
485
 Geef antwoord, landgenoot! wat sluwe hinderlagen
 Des Boozen doen u 't kleed eens kruisverzakers dragen?’
  
      Fernando ziet hem met onthutste blikken aan:
      De gramschap is zijn ziel: de kracht zijn vuist ontgaan.
 Zijn krijgsgevangne sprak, gelijk zijn boezemrechter,
490
 't Geweten: hy erkent geen andren pleitbeslechter:
      Zijn ziel is niet verstokt, en met gesmoorde stem,
      (Van zuchten ondermengd,) maar woorden rijk aan klem,
 Wordt in dit kort verhaal, zoo kunstloos als bezadigd, 493  
 Geen landverraad bekend; maar ook geen schuld verdadigd. 494  
  
495
      ‘Ik zag, (dus vangt hy aan te spreken,)
 Ik zag in Frankrijks schoone streken,
 473  dus: zo.
 482  lang: geef.
 493  zoo: evenzeer.
 494  verdadigd: verdedigd, ontkend.


[p. 76]

 
      Schoon 't fransche bloed me in de aadren vliet, 497  
      Als gy het eerste daglicht niet.
 Mijn vader was een dier soldaten,
500
      Waarmeê de held Napoleon,
 De schrik was van Europaas staten,
      En half een wareld overwon.
 Mijn moeder, die door 't heilloos woeden
      Van monsters, in der vrijheid naam, 504  
505
      Heur oudren, vry van smet of blaam,
 Door 't staal des valbijls had zien bloeden,
      Was door de teêrste liefdeband,
 Verbonden aan mijn dierbren vader,
 En volgde hem, (wien had zy nader?)
510
      Van stad tot stad, van land tot land.
 In 't pyramidendal, omgeven 511  
      Van schutgeknal en sulferdamp,
 Gaf ze onder stervenden my 't leven,
      En was mijn vaderland het kamp.
515
 Daar wies ik op, met lans en zwaarden, 515  
      Maar kinderspeeltuig niet bekend.
 Mijn speelgezellen waren paarden,
      Een krijgskar was mijn legertent,
 En vroeg leerde ik de kracht der spieren
520
 Op menschenschedels bot te vieren.
 Mijn jeugd kreeg nimmer onderricht
      Van Godsdienstleer en vorstenplicht,
 En 'k hoorde nooit de namen noemen
      Van God of Christus, dan alleen
525
      Als leuzen, om in wufte reên,
 Zich zelf en andren te verdoemen.
      De drift naar roem, de zucht naar eer,
      Zy waren in het wareldheir, 528  
 497  schoon: ofschoon.
 504  de grootouders van Fernando zijn dus in de Franse Revolutie geguillotineerd.
 511  In 't pyramidendal: zie Aanteekeningen, pag. 115.
 515  wies: groeide.
 528  wareldheer: leger met soldaten uit alle windstreken.


[p. 77]

 
 De Goden slechts die wy aanbaden, 529  
530
 En 't Evangelie dat ons won,
      Had tot propheet NAPOLEON,
 En sprak van Frankrijks heldendaden.
      Ik dank 't alleen aan de Oosterlucht,
 Waar ik het daglicht heb ontfangen,
535
 Dat soms een reiner zielsverlangen
      Mijn geest met beelden heeft bevrucht,
 Die my van eedler dingen spraken,
 Dan die, waarvoor de krijg doet blaken;
      Zoodat ik in der makkren kring,
540
 Ja zelf, by grijzende oorlogslieden
      Ten schimp- of eerenaam ontfing:
 't Poëtisch kind der Pyramiden.
      Den dag van Wagrams zegepraal, 543  
      Zwaaide ik voor 't eerst als ruiter 't staal,
545
 En streed ik met die Adelaren, 545  
 Die Habsburgs Arend doodlijk waren.
      En, toen Napoleon zijn vaan
 In Spanjes lustwarand liet wapperen,
 Zag hy me onwrikbaar met zijn dapperen,
550
      In 't vuur van iedren veldslag staan.
 Toen de oorlogsvlam in Rusland blaakte,
 Kampte ik naast Polens eedlen Vorst, 552  
      En zonk, ten spijt der gloriedorst,
 Gekwetst in zwijm; maar toen 'k ontwaakte,
555
      Versierde 't kruis der eer mijn borst.
 Na de onafzienbre rei van rampen,
      Door 't woên des winters voortgebracht,
      Waarmeê der Franschen legermacht,
 Na Moscaus reuzenbrand moest kampen,
560
      Was ik de lot- en leedgenoot
 529  zie: Aanteekeningen, pag. 116.
 543  Den dag van Wagrams zegepraal: de slag bij Wagram tegen de Oostenrijkers vond plaats op 6 juli 1809.
 545  die Adelaren: veldtekenen van Napoleon.
 552  Polens eedle vorst: Stanislaus Pomatowski.


[p. 78]

 
      Der schaar, die de eedle Ney gebood,
 En zag ik hem de laauwren plukken,
 Die hem geen rechtsmoord zal ontrukken. 563  
      By Beresinaas killen zoom 564  
565
 Voelde ik mijn hart op 't wreedst verwonden,
      Dáár heeft mijn moeder in den stroom,
 Ter dood gewond, den dood gevonden,
      En slaakte ze in het ijs een kreet,
      Die nooit mijn kinderhart vergeet.
570
 By al de droeve nederlagen,
      Waardoor de blinde luim van 't lot
 Den Aadlaar heeft terug geslagen,
      En de ijzren wiekenvlucht geknot,
 Voerde ik het staal; niet meer om glorie;
575
 Maar voor den speelbal der victorie;
      Tot eindlijk, na een korte gloor
      Van weêrgeboorte, als meteoor, 576-77  
 Die Noodlotszoon, door hoogre machten
 Zijn strijdphalanxen zag ontkrachten,
580
      En 't veld van Waterloo het graf
      Werd van zijn heir en keizersstaf.
 Dáár gaf met leeuwenmoed, ten leste,
      Mijn vader, nimmer strijdens moê,
 Zijn bloed voor Frankrijks heil ten beste,
585
      En look voor eeuwig de oogen toe.
 Hy was een van die duizend braven,
      Die, hoe ten lijfsbehoud genood,
      Zich wel de kaken van den dood;
 Maar aan geen vijand overgaven. 586-89  
590
      Ik heb hem goede nacht gekust,
 563  Ney liep in 1815 tijdens de honderd dagen weer naar Napoleon over en werd daarom later na een proces wegens hoogverraad gefusilleerd.
 564  Bij Beresinaas killen zoom: de moordende terugtocht over de Beresina vond plaats in 1812.
 576-77  korte gloor van weêrgeboorte: de ‘honderd dagen’ in 1815.
 586-89  deze regels doelen op de (anecdotische) beroemde woorden: de garde sterft maar geeft zich niet over.


[p. 79]

 
 Tot we ons herzien in beter leven,
      En aan zijn stof, ter stille rust,
 Een zelfgedolven graf gegeven;
      En by den grijzen legerknecht,
595
      Zijn zwaard en eerekruis gelegd.
 Dáár moog hy vreedzaam naast zijn wapen,
 Den langen slaap der dooden slapen.’
  
      Hier zweeg Fernando; want een stroom
 Van tranen, al te lang bedwongen,
600
 Was eindlijk aan zijn oog ontsprongen,
      En vierde aan 't hart den vrijen toom,
 Dat thands door geen gesmoorde zuchten;
 Maar zich door snikken kon verluchten.
  
      Nadat hy 't oog had roodgeschreid
605
 Door tranen, die geen man verneêren;
 Maar die de menschheid moet waardeeren,
      Als tolken van zijn menschlijkheid,
 Sprak weêr met gloênde blik en wangen,
 Fernando tot zijn krijgsgevangen:
  
610
      ‘De throon des Keizers zonk ter neêr,
 En hy, die 't purper had gedragen,
 Verkwijnde in Britsche boei geslagen,
      Zijn leven op een rots in 't meir. 613  
 Elk, die hem volgde op d'oorlogswagen,
615
      En in zijn naam Euroop verwon,
      Was haatlijk aan 't gehaat Bourbon, 616  
 En moest in vreemde wareldstreken,
      Schoon vaak voor Frankrijks heil verwond,
 Verbannen van den Franschen grond,
620
 Het ruwe brood der armoe breken.
 613  in Britsche boei: op St. Helena.
 616  In 1813 werd Bourbon met Lodewijk XVIII hersteld.


[p. 80]

 
      Dat lot was ook mijn deel: gedoemd
 Als balling, zwierf ik door Europe,
      Meest onbekend, steeds onberoemd,
 En was de toekomst slechts mijn hope.
625
      Alom, waar 't vrijheidsvendel woei,
      Was ik by 't staatsorkaangeloei,
 En diende ik met mijn staal de vrijen.
      In 't fier Madrid, aan Tagoos strand,
      In Napels wal, in Griekenland, 628-29  
630
 Schaarde ik my in der strijdren rijen,
      En was 'k een krijger, die den dood,
      In de oogen zag en nimmer vlood.
      Dan 'k zag by al die strijdbanieren
 De vrijheid nimmer zegevieren,
635
      En in heur schoonen naam alleen
      De bandeloosheid aangebeên.
 Dat deed me in 't eind die dweepers vloeken,
      Die onder schijn van volksgeluk,
 Hun eigen aardsche grootheid zoeken,
640
 En volken brengen onder 't juk,
 En 'k zwoer voortaan, als ik zoû strijden,
 Der dwinglandy mijn arm te wijden.
  
      'k Vernam in Stambouls grijzen wal,
      Hoe Sultan Mahmouds krijgsvazal,
645
 Dey Husseyn, aan zijn rooverskunsten,
 Een talrijk heir ten strijd deed rusten,
      En dat hy oorlogslieden zocht,
      Wier arm voorheen voor Frankrijk vocht,
 Om dus met eigen wapenkrachten
650
 Zijn legioenen af te wachten.
      Ik toog er heên, en Husseyn schonk,
 628-29  Fernando heeft dus deelgenomen aan de opstanden in Madrid en Napels, beide in 1820 en in Griekenland, waar de vrijheidsoorlog zich uitstrekte tussen 1821 en 1827.


[p. 81]

 
      Meer dan me als toekomst tegenblonk, 652  
 En 'k zag door moedige Arabieren
 Me als opperhoofd en Aga vieren, 654  
655
      Tot ik in zeekren avondstond
      Op 't onverwachtst een heilgoed vond,
 Een roos, wier zinbetoovrend bloeien,
 Mijn ziel in teêrheid deed ontgloeien,
      En die me een paradijsgift bracht,
660
      Maar mijn verbeelding nooit aan dacht.
 Een teedre maagd, wier ziel jonkvrouwelijk
      En smetloos was, gelijk heur leest, 662  
 En, die met God en deugd vertrouwelijk,
      De heilgodes werd van mijn geest,
665
 En me al die vrouwen deed vergeten,
 In wier vergifte rozenketen,
      (Hoe schijnbaar schoon,) mijn ziel te vaak
      Zich wroeging gaarde voor vermaak.
 Zie daar het dagboek van mijn leven,
670
 Aan u, die me oordeelt, blootgegeven.
      Beslis thands als een rond soldaat,
      Of 'k derenis verdien of - haat,
 En of by 't schimpwoord van verrader,
 My 't bloed niet koken moet in d'ader,
675
      En 'k hem, van wien 'k dien hoon ontfing,
      Geen uitleg eischen op mijn kling.’
  
 Fernando zwijgt: zijn forsche handen
      Bedekken 't breede voorhoofd, waar
      Hy 't vlammend vuur der smart voelt branden,
680
      Als kromp het wee dáár tot elkaâr:
 Het wee, dat niemand kan bestrijden,
 't Ondraagbaar wee van 't zielelijden.
  
      ‘Ik heb u aangehoord: (zoo spreekt
 De krijgsgevangne;) 'k wil niet twisten
 652  meer dan me als toekomst tegenblonk: meer dan ik van de toekomst had kunnen verwachten.
 654  Aga: Turkse titel voor officieren.
 662  leest: gestalte, figuur.


[p. 82]

 
685
      Om 't droombeeld, dat uw ziel bekoort,
 Of liever, dat u 't bloed doet gisten:
      Maar 'k vraag 't in naam van 't Legerhoofd,
 Eens Frankrijks roem en oorlogsheiland,
 Dien men op St. Helenaas eiland,
690
      Het leven langzaam heeft ontroofd.
 'k Vraag 't in zijn naam, wat zijn de rechten,
 Die u den Franschman doen bevechten?
      Wee u! geldt u de halve Maan
      Meer dan de roem der lelievaan?
695
 En kunt gy 't bloed van landgenooten,
 Door ongeloovigen vergoten,
      Zien vlieten, zonder dat dit bloed
      U 't bloed in de aadren stollen doet?
 Rampzaalge, schoon in 't kamp geboren,
700
      Waar alles trouw elkaâr bemint,
      En vreugde in andrer vreugde vindt,
      Hebt gy uw menschlijkheid verloren!
      Thands kleurt de schaamte mijn gezicht;
      Daar 'k u mijn redding ben verplicht.’
  
705
 Hy zwijgt: gelijk na 't zonvuurgloeien
      By zomerdag, der dampen heir
      Een onweêr aan den blaauwen sfeer
 In neevlen dichtgehuld doet broeien,
      Zoo bleek het uit de duisterheid,
710
      Fernando op 't gelaat gespreid,
 Dat in zijn borst een vuurstroom woelde,
 Die hy door bloed het liefst verkoelde.
      Maar even als dat onweêr, door
      Der winden aâm verjaagd, van 't spoor
715
 Der heemlen vliedt, zoodat de stralen
 Der zon weêr aan het luchtruim pralen,
      Zoo vlood ook uit Fernandoos borst
      Die onberaden drift, die dorst
 Der wraak, en sprak een stem met klaarheid:


[p. 83]

 
720
      Waarom, door eigenmin bekoord,
      Een zaak verweerd, die gy verloort? - 721  
 Uw krijgsgevangne sprak de waarheid:
      Die kamp voert met zijn vaderland,
      Diens deel zij onuitwischbre schand!
  
725
 Hy staat onrustig op: zijn oogen,
      Die hy geroerd ten hemel slaat,
 Getuigen dat hy opgetogen,
 En door 't gevoel der eer bewogen,
      Van grootsche ontwerpen zwanger gaat.
730
 Hy wenkt een Arabier, het wachtvuur
 Bewakend in het zwijgend nachtuur.
  
      ‘Draag zorg dat in deez stonde, Osmyn,
      De Moor, op 't snelst voor my verschijn!’
 Beveelt hy. De armen kruislings over
735
 De breede borst verdwijnt door 't lover
      't Kind der woestijn: een grijze Moor,
      Met blikken, hel als fakkelgloor,
 En met een glimlach op het wezen, 738  
 Die slaafsche eerbiedigheid doet lezen,
740
      Verschijnt: ‘Schutte Allah in deez stond, 740  
      Om Mohammed Gezairaas grond! 741  
 (Dus vangt Fernando aan) Zijn Eden
 Schenke ons eens eeuwge zaligheden!
      Getrouwe! 'k noodde uw ijver uit,
745
      Den brand te steken in het kruid,
 Zoo spoedig Frankrijks legervanen,
 Den weg naar 't fort zich zouden banen:
      Maar ijdel is dat opzet; want 748  
      God speelt hen allen ons in hand;
 721  verweerd: verdedigd.
 738  wezen: gelaat
 740  schutte: bescherme.
 741  Gezaira: Algiers.
 748  ijdel: vruchteloos.


[p. 84]

 
750
 Om als de sprinkhaan der woestijnen,
 In 't stuivend voetzand weg te kwijnen.
      'k Verander Osmyn, dus mijn last,
      En 'k wil dat gy dees oorlogsgast,
 Waar' 't ook ten koste van uw leven,
755
 Aan 't Fransche leger weêr zult geven.
  
      Vaarwel, mijn landgenoot! gy ziet
      Thands welk een bloed mijn hart doorvliet;
 Blijf, welk een deel u 't lot moog schenken,
 Somwijlen aan Fernando denken.’
760
      De Fransche heirbijldrager, thands 760  
 Geen krijgsgevangne meer, drukt hevig,
      En de oogen vol van dankbren glans
 Fernando aan 't hart; maar wederstrevig
      Een dank te ontfangen, dien hy haat,
765
      Gebiedt hy hem, met streng gelaat,
 Den Moor te volgen, langs de weide,
 Tot aan de poort der slaghameide, 767  
      Waar Turk en Fransche veteraan,
      Elkaâr als voorpost gadeslaan.
  
770
 De Franschman volgt den Moor: een ronde
 Meldt aan de nachtwaak de elfde stonde:
      De klep van Harem en Moskee, 772  
      Deelt aan de stad het nachtuur meê,
 En breekt de stilte af in de wallen
775
 Van Algiers, en die duizendtallen,
      Die by het licht des uchtendroods
      Hun sluimring met den slaap des doods
 Verwisslen, door den oorlogswagen
 Als graan verplet, of neêrgeslagen.
 760  heirbijldragers: bijldragers, of lictoren, waren functionarissen, die in Rome de bundel staven met bijl (de fasces) als teken van staatsmacht voor de consuls uitdroegen. Hier (mede blijkens regel 1252) de aanvoerders der grenadiers.
 767  slaghameide: slagboom, sluitboom.
 772  klep: klokslag.


[p. 85]

 
780
      ‘Ha! (roept Fernando 't uit met drift,)
 Ras wordt de stonde my geboren,
      Die my vermeldt met vlammend schrift:
 Gy hebt gewonnen of verloren.
 Gy trokt in 't hachlijk levens-spel,
785
      Als lot een hemel of een hel.
  
 O stille nacht, wees rijk aan duister!
      Omsluier op uw starrenbaan,
      Met graauwe wolken, 't licht der maan!
 Vijandig is die zilvren luister
790
 Voor my, wien hemelklaarheid daagt
      In 't oog der allerschoonste maagd,
 En die alleen uit zwarte nevelen
 Zijn heilzon glansrijk op ziet hevelen.’ 793  
  
      Hy gordt den sabel vast, en geeft
795
 Aan Mehemed, een grijzen roover,
      Die zestig zomers heeft beleefd,
 't Bevel van slot en toren over.
      De krijgsman buigt: de renegaat,
 Vertrekt met snelle en vaste stappen,
800
 En teekent op de steenen trappen,
      Den vorm af van het Turksch gewaad:
 Zoodat een geest uit 's afgronds dreven,
 Zijn tulband dwarlend schijnt te omzweven;
      Tot dat in 't eind de breede rand
805
      Eens hoogen muurs, die schaduw bant, 805  
 En in het loof der palmenboomen
 Geen stem of voetstap wordt vernomen,
      Gelijk een toon, hoe log van vlucht,
      Toch eindlijk wegsmelt in de lucht.
 793  hevelen: rijzen.
 805  bant: doet verdwijnen.