[p. 87]

III
Middernacht.



[p. 88]

 ‘Midnigth had flung her shadows o'er the world,
 And sleep his fetters on the human soul:
 Around the mountain peaks moist vapours curled,
 While from the lifeless regions of the pole
 Silence assumed her undisturbed control.
  
 Hobart Caunter.
 The Island Bride. Canto VI.


[p. 89]

Middernacht.

810
      't Is middernacht: het uur der geesten, als
 De nachtvorstin haar zwarten nevelwagen
      Bestijgt, en zich om de elpenblanke hals 812  
 Het vale floers des duisters heeft geslagen.
      't Is middernacht: de schrikbre stond, wanneer
815
 Op d'aêm des winds de spoken 't zwerk doorgieren,
      Of by een graf, vereend met 's afgronds heir, 816  
 Met woest gebaar hun helschen Sabbath vieren. 817  
      't Is middernacht: het uur, wen tuk op bloed 818  
 De Vampyr uit zijn doodschen slaap ontwakend, 819  
820
      In 't levend vleesch met scherpe tanden woedt,
 Van hongerkoorts en wellust tevens blakend.
      't Is middernacht: 't uur als de zondaar waakt, 822  
 En angstig schrikt voor eigen zuchten lozen,
      Terwijl het kind der deugd de bede slaakt:
825
 Genadig God, verlos my van den Boozen!
      't Is middernacht: de schuwe nachtuil stemt
 Een kreet, dien hy geen zonlicht durft doen hooren.
      De vledermuis daalt gonzend neêr, en klemt
 In 't rozenloof de stofbevlekte sporen. 829  
830
      In bloemengaarde, in beemd, in 't palmengroen,
 Op dorre heide, in weelge kreupeldreven,
      Verheft de nacht heur geestenrijksblazoen,
 En alles krijgt geheimvol vorm en leven.
 812  elpenblanke: ivoorblanke.
 816  's afgronds heir: letterlijk: het helse leger; de helledrom.
 817  hun helschen Sabbath: feest onder aanvoering van de duivel.
 818  wen: wanneer.
 819  Vampyr: zie: Aanteekeningen, pag. 118-119.
 822  waakt: wakker is.
 829  sporen: klauwen.


[p. 90]

 
      De trouwe hond, de waker van 't gezin,
835
 Gluurt angstig rond by 't middernachtuurnaken,
      Trekt breede staart en ooren huilend in,
 En schijnt bestemd tot siddren, niet tot waken.
      't Is middernacht, voor Algiers grijze stad,
 Mag zy heur beeld in 't golfschuim vrolijk baden;
840
 Want in den kreits van haar gebied, bevat 840  
 De toekomst rouw en zwarte gruweldaden.
  
      Daar, waar aan 't stuivend heuvelzand
      De torens op den buitenwand
 Des harems fier ten hemel rijzen,
845
 En d'ongewijden van zich wijzen, 845  
      Verneemt men 't ruisschen van een tred,
      Voorzichtig in het strand gezet;
 Maar telken reis het voortgaan stakend, 848  
 Als ware een dreigend onheil nakend.
850
      Beschenen door het licht der maan,
      Stapt in 't verschiet een klepper aan,
 Een Arabier van ouden adel;
      Met trotsche staart en hoog gekuifd, 853  
      Een hengst die sneeuw en vlammen snuift: 854  
855
 Hy draagt in 't sierlijk Engelsch zadel 855  
      Een ruiter, met een kleed omplooid,
      Waarmeê zich 't kroost van d'Atlas tooit. 857  
 Een Ataghan, gescherpt ten strijde, 858  
 Hangt in een band van Turksche zijde
860
      Aan 's ruiters linkerheup: een paar
      Pistolen, smaakvol, rijk en zwaar
 Met zilverwerk getooid, versieren
 840  kreits: kring, district.
 845  ongewijden: onbevoegden, wie er niet thuishoren.
 848  telken reis: iedere keer.
 853  gekuifd: met manen.
 854  met schuimvlokken van het snelle rijden en vurige adem.
 855  Engels zadel: rijzadel, dat snelle draf vergemakkelijkt.
 857  't kroost van de Atlas: de Kabylen.
 858  Ataghan: zie: Aanteekeningen, pag. 119.


[p. 91]

 
 Zijn gordel: om zijn lokken zwieren,
      Vereenigd, gingang met damast; 864  
865
      Een gouden band snoert beiden vast
 Ten tulbandwrong, en geeft den ruiter
 Den schijn van woestenyvrijbuiter.
  
      Fernando is 't: in zulk een dosch,
      Gestegen op 't gehoorzaam ros,
870
 Zal geen van Husseyns legerscharen
 In hem een weêrparty ontwaren,
      En 't Edenslicht, waarnaar hy smacht
      Verandren in stikdonkre nacht.
 In schaduw van een ouden toren,
875
 Waar zich het golfgeklots laat hooren,
 Verschuilt hy zich voor 't maanlichtgloren,
      En vest hy op Casobahs muur
      Zijn oogen, vol van tintlend vuur.
  
 Het middernachtuur heeft geslagen.
880
      Daar wordt een grendelknars gehoord:
      Daar opent zich de torenpoort,
 Voor wachter en Eunuk. Zy dragen, 882  
      Bevestigd aan een palmboomtak,
      Een zwartgekleurde taffen zak, 884  
885
 Waarin een wezen schijnt te kermen,
 En zich te weeren met zijn armen,
      Gelijk 't insect in 't spinragnet
      Zich lang, doch vruchteloos verzet.
 Aan 't strand, een heuvel opgestegen,
890
 Wijst een der Mooren, met een degen
      Gewapend, op het kabblend meir.
      De zwarte zak valt plotsling neêr,
 En is in 't schuimend nat der golven
 Een poos verzwolgen en bedolven.
 864  gingang: gekleurd, meestal katoenen weefsel, veelal gestreept.
 882  Eunuk: eunuch, ontmande.
 884  taffen: uit gekookte zijde geweven stof


[p. 92]

 
895
 De poort werd weêr gesloten: zwijgend
      Is 't slaafsche schandrot neêrgevleid 896  
      By 't avondmaal, in vadsigheid.
 Fernando blikt, den boezem hijgend
      En vol verlangen op den wal,
900
      Waaruit zijn heilgoed dalen zal;
 Maar 't oog vermoeid van 't eindloos staren,
 Blikt als door toeval op de baren:
      Dáár drijft op 't golvend kristallijn,
      Een zwarte baar: - dat is geen schijn,
905
 Geen speelwerk der verbeelding: - leven,
 Hoe vreemd ook, schijnt die vorm te omzweven:
      Een menschenleven! .... ‘Dood en hel!’
      (Dus gilt Fernando,) windensnel,
 Neen, sneller en door niets bedwongen,
910
 Is hy den zadel uitgesprongen,
      In 't meir geploft, en draagt zijn hand
      Als overwinningsonderpand,
 Het voorwerp, dat met naamloos ijzen
 Hem 't zwarte hair te berg doet rijzen.
  
915
      Het leefde- en ademde en bewoog.
 Fernando heeft met forsche knokken,
 De banden van elkaâr getrokken,
      En staart een jonkvrouw in het oog,
 Een stervende engelin - Aline!
  
920
 Gelijk de ontboeide sneeuwlawine,
      Wanneer het lentevuur ontwaakt,
      Langs de Alpen dondrend schuift en kraakt,
 En dorpen slecht of nedergruizelt, 923  
      En tuinen ten woestijn vervormt,
925
 Zoo wordt Fernandoos borst bestormd
 896  schandrot: schendige bende; dit zit zwijgend bij 't avondmaal, omdat deze haremwachters stom gemaakt zijn.
 923  slecht: sloopt.


[p. 93]

 
 En overstelpt. Zijn denkkracht duizelt.
      Koud als Alines bleek gelaat,
      Is 't zweet dat hem op 't voorhoofd staat.
 Hy sluit haar siddrend in zijn armen,
930
      Viert vloekende aan zijn drift den toom,
      Of wil dan met een kussenstroom
 Haar ijskoud lipkoraal verwarmen,
      Gelijk een voedster 't zogend kind,
      Dat ze als haar eigen bloed bemint.
  
935
 In 't einde ontwaakt ze en schijnt het leven
      Haar weêrgeschonken; maar een poos
      Staart ze in het ronde als levenloos,
 En de aard zag haar voor altijd sneven.
      Zóó flikkert nog het licht der lamp,
940
      Aleer 't versterft in blaauwen damp!
 Zóó ziet men voor de zonneluister,
      By zomerdag, van 't schijnen mat,
      Ter rust gaat in het golvend nat,
 En de avondwacht vertrouwt aan 't duister,
945
      Een wederschijn van rozenpracht, 945  
 Gemengeld met oranjekransen,
 Langs duin en heesterstruiken glansen,
      Als voorboô van de sombre nacht.
  
 Maar elk der halfgesmoorde zuchten,
950
      Die als een ruisschend snarenspel,
      Of 't zoet gekabbel van een wel, 951  
 De borst der schoone maagd ontvluchten
 En haar den stervenskamp verluchten,
      Klonk zacht en liefelijk: ‘Vaarwel!
955
      Vaarwel, Fernando! 't is my wél:
 Uw mond sprak waarheid: 'k vlied voor immer,
 Het my gehaatte vrouwentimmer!’
 945  een wederschijn van rozenpracht: bepaling bij ziet (941).
 951  wel: plaats waar water aan de oppervlakte komt.


[p. 94]

 
      - ‘Droom ik? - of waak ik?’ - roept hy uit,
      Met dat gesmoorde stemgeluid,
960
 Dat door de wanhoop wordt geboren,
 En vreeslijk snerpt in 's menschen ooren.
      - ‘Droom ik? - of waak ik? - Neen, by God!
 Want om te droomen moet men slapen,
 En by 't rumoer van trom en wapen,
965
      Dacht ik aan rust noch slaapgenot.
 'k Heb niet geslapen: 't zijn geen droomen,
 Die my dus foltren! Neen, volkomen
      Is mijn ellende en naamloos groot;
      Neen, meer; want mijn Aline is dood!
970
 Dood? - Vreeslijk woord! - ô Duistre machten,
      Wier hand der menschen leefdraad weeft,
 En breekt: waarom op haar uw krachten
      Beproefd; nu hier de doodgeest zweeft
      En tallooze offers aan u geeft,
975
 Waarom haar thands niet begenadigd?
 Zijt gy dan nooit van wee verzadigd?
  
      ô Noodlot! dat nooit tot my loeg 977  
 Met lonken, die hen 't meest bestralen,
 Die schaarsch de smart den tol betalen, 979  
980
      Waarom verliet ze my zoo vroeg?
 Waarom mocht ik haar niet verdedigen,
 Toen zy door monsters zich beledigen
      En boeien zag? - Weg schriklijk beeld,
      Dat in twee wezens my verdeelt:
985
 Een, dat de wanhoop kiest ten scheidsman,
 En een, die droefheid neemt als leidsman;
      De droefheid, die den heeten gloed
      Der smart in tranen laauwen doet, 988  
 Maar duizendvoud meer wee doet lijden,
990
      Dan wen de wanhoop met één slag
 977  loeg: lachte.
 979  de smart: meewerkend voorwerp.
 988  laauwen: luwen.


[p. 95]

 
      Ten spijt van 's noodlots blind gezag, 991  
 Het bloedend harte komt bevrijden,
 En einde maakt aan tranen en geklag.
  
 Wat hebt gy dierbre, niet geleden,
995
      Toen gy uw rozenverwig vleesch,
 In ijzren boeien voeldet smeden,
      En ge uit uw keel, van 't kermen heesch,
 Alleen den naam van my deedt hooren,
 Voor wien gy eeuwig zyt verloren,
1000
 Ofschoon hy voor u werd geboren.
      Mijn dierbre, ontwaak! één oogenblik,
 Ach dat één kus u mocht verwarmen,
 Eén kus! - en geef dan in mijn armen
      Den allerjongsten snik.
1005
 Eén kus, zoo als in 't huwlijksleven,
 De vrouw heur echtgenoot mag geven,
      Eén vuurkus, door wier algeweld
      Des eenen ziel in d'andren smelt 1008  
 En als op vleug'len rond doet zweven.
  
1010
      Nog eens, geliefde Aline, ontwaak!
      Mijn hartsvriendin! mijn zielsvermaak!
 Sla de oogen op! waarom te sterven?
      Wat heil het hemelrijk u biedt,
      Gy vindt er uw Fernando niet:
1015
 Gy zult er hem voor eeuwig derven.
      Ontwaak, mijn dierbare en bespot
      De macht des doods! ja, die van God!
 Kil blijft ge en sluimert voort: ô bronnen
      Van tranen, die mijn wang besproeit,
1020
 Verdroogt! - De storm heeft uitgeloeid;
 991  ten spijt van: ondanks.
 1008  des eeenen ziel: de ziel van de een


[p. 96]

 
 De wanhoop heeft de smart verwonnen.
      Gy oogen, hebt voor 't laatst geweend.
      Tot marmer is mijn borst versteend;
 En als ik weêr een klacht moog slaken,
1025
 Zal 't helsche vuur my eeuwig blaken,
      En schame in 's afgronds rampwoestijn,
      De Booze zich mijn Heer te zijn.
  
 Dat geeft mijn boezem lucht: gelasterd
      Heb ik mijn aanzijn; bliksemstraal
1030
      Noch dood, verslond by zulk een taal
 Den renegaat, den snooden bastert,
      Den landverzaker. - Ik verwon
 Den worstlaar, die my zou doen zwichten;
 Maar die geen heup my mocht verwrichten, 1032-34  
1035
      Ja, zelf geen hair my schaden kon:
      Ik zie aan d'Oosterhorizon
 Een morgen, rijk aan stralen, lichten.
      Doe thands aan 't hoofd van Frankrijks heir,
 Bourmont, de lelievendels waaien,
1040
 Uw haan zal hier geen zege kraaien!
 Mijn hand zal u den lijktoorts zwaaien!
      'k Plof met uw vijand u ter neêr,
 En 't vleesch van Frank en Arabieren,
 Verstrek ten spijze aan raaf en gieren.
1045
      ô Mocht mijn aêm de Simoun zijn, 1045  
 Die door een helgeest voortgedreven,
      In 't gloeiend stof der zandwoestijn
 Den kemel naast zijn Heer doet sneven!
  
      Mijn afgodsbeeld, mijn oogelijn,
1050
 Mijn doode bruid, bestijg mijn renner,
 Ik voer als moedig strijdrosmenner
 1032-34  een verwijzing naar de worsteling van Jacob met God, die hem de heup ontwrichtte (Genesis 32: 22-32).
 1045  Simoun: zie: Aanteekeningen, pag. 119.


[p. 97]

 
      Naar 't bruidsbed u, by maneschijn.
 Dat bruidsbed is geen sofa, geurig
      Als 't rooskarpet in Husseyns gaard
1055
 En even frisch, als duizendkleurig
      De gunsten van een Sultan waard.
 Neen, 't is de borstweer van een toren,
      Die, als het fransche leger naakt,
 Een blaauwe sulfervlam laat gloren,
1060
      En dondrend uit elkander kraakt.
 Maar ons scheidt nooit die vlam, omstrengeld
      Door my, blijft ge eeuwig - eeuwig MIJN;
 En 't zy als daemon, of verengeld,
      Aline, ik zal uw meester zijn!’
1065
 Hy zwijgt en zucht ....
  
           De ontslapen Schoone
 Hangt bleek, de zwarte hairen los,
 In 't zaâlgestoelt van 't moedig ros.
  
 - ‘Ach, waarom haar de myrthenkroone
      Zoo vroeg van 't minzaam hoofd gerukt,
1070
      En zulk een Edensbloem geplukt?
 Waarom haar in Provences dreven
 Aan minnende oudren niet hergeven?
      Voor dat ze, in slaverny gekneld,
      Het offer werd van 't wreedst geweld?
1075
 Waarom mocht zy geen gade in 't leven
 Een voorsmaak van den hemel geven,
      En moeder zijn van kinderen, die
      Gewiegeld op des vaders knie,
 Haar godlijk schoon vermenigvuldigen,
1080
 En hem als Priester daarvan huldigen;
      Hem, voor wiens onverdoofbre min,
      Zy noodlot was en heilgodin?
 Waarom toch? - maar wie durft het wagen
 De wareldorde te ondervragen,


[p. 98]

 
1085
      Waartoe op aard het kwaad gebiedt?
      Dat vragen past den stervling niet.
 Dat past hem niet, die zonder WILLEN,
 Door 's noodlots onoplosbre grillen,
      Het ZIJN ontvangt, en in de nacht
1090
      Wordt voortgestuwd met blinde kracht.
 By God, hier dwaalt de mensch in 't duister:
 Hem meldt alleen een zacht gefluister,
      Een les, die hem zijn voedster gaf:
      Aan de andre zy van 't somber graf,
1095
 Verkeert de zwarte nacht in luister,
      En vindt de zonde een EEUWGE straf.
 Misschien ... maar hier omringd van dampen,
 Is 't doel des levens bloedig kampen,
 Het loon des brave onlijdbre rampen,
1100
      Beproeving, wanhoop, tot de dood
      Dat alles opneemt in zijn schoot;
 En eens een dag van weêrvergelding
 Van ieders daden geef' vermelding:
      Want zonder zulk een morgenschijn,
1105
 Zoû de aard niets dan een woestenye,
 De mensch een wreede helharpye 1106  
      En God een Dwingland zijn.
 Een Dwingeland? - verstomt, mijn lippen!
      Vergeef 't my, eeuwge Levensbron,
1110
      Wier ZIJN ik nooit doorgronden kon,
 Dat ik dat woord my liet ontglippen.
 Vergeef 't my! - ach, een zwavelgloed
      Ontvlamt mijn brein, beweegt mijn bloed,
 En schroeft de borst my dicht en dichter.
1115
      Vergeef 't my, Wezen, dat ik vrees;
      Maar op wiens wet my niemand wees,
 Zijt my geen onverzoenlijk richter!
      JEHOVAH, ALLAH, CHRISTUS, of
 1106  helharpije: wraakgierig, bloeddorstig monster uit de hel.


[p. 99]

 
      Wat naam gy draagt; ik buig me in 't stof
1120
 Voor U, als 't nietigst veil, ter neder: 1120  
      Vernietig me in het eindloos NIET,
      Of geef my in uw lichtgebied,
 Als Engel, mijn Aline weder.
      Oneindige, die my verstaat,
1125
 En die mijn zondig hart doorgrond hebt,
 Voor ge U als Heiland my verkond hebt,
      Wees met my, hooploos renegaat!
      Vergeef my zonde en euveldaad,
 Wanneer mijn jongste stonde slaat!’
  
1130
 Zóó bad Fernando, in wiens boezem
      De schikbre orkaan had uitgewoed;
      Maar in wiens hart de wonde bloedt,
      En felle pijnen lijden doet,
 Gelijk van 't wreedst venijn de droezem 1134  
1135
      Tot op den boôm des bekers zinkt,
      Als men hem schielijk binnendrinkt.
 Zóó dacht hy onder 't slotwaart sporen
      Van 't ros dat zijn Aline draagt,
      Met zachten tred, als wou 't de maagd
1140
 Zelfs in den slaap des doods niet storen.
      Ter buitenpoort genaakt, ontsluit
 De Turksche wacht hem d'ijzren grendel:
 Dáár wikkelt in een groenkleurd vendel
      De Renegaat zijn doode bruid,
1145
 En zet haar zacht op 't mosch ter neder;
      Maar voor hy intreedt, maakt hy 't ros
      Gebit en blinkend hoofdstel los,
      En vrijdt het van zijn zadeldosch.
 - ‘Keer naar uw woestenyen weder,
1150
      En smaak de vrijheid als weleer.
      Trouw waart gy immer aan uw Heer;
 1120  veil: het gemene, verdorvene, nietswaardige; veil zou hier dan staan voor veil' = veile. Een andere mogelijkheid is, dat veil = klimopplant, die nu, zonder steun, over de grond kruipt.
 1134  venijn: vergif.


[p. 100]

 
 (Dus spreekt hy), trouw als goud, dat zweer ik;
      Zacht was uw aart, en toch vol moed,
      En vogelvlug uw rappe voet;
1155
 Maar 'k eisch geen dienst meer; spoedig keer ik,
      Als gy, terug van waar ik kwam.
 Gy hebt een kostbren last gedragen,
 Een engel, door eens duivels lagen
      Vermoord, gelijk een weerloos lam.
1160
 Daarom zal nooit een zaâl u knellen; 1160  
 Maar als de vlugste der gazellen,
      Rent gy voortaan den klavergrond
      Van Atlas vruchtbre weiden rond.
 Vaarwel, mijn Omar; smaak in blijheid
1165
 Het zoet genot der zoete vrijheid;
      ô Dat ik ook de vrijheid vond!’
  
 Het paard, bevrijd van zaâl en teugels,
      Snelt, als verstond het 's meesters reên,
      Met luid gebriesch ter vlakte heen,
1170
 Als leende 't van een arend vleugels,
      En laat zijn droeven Heer alleen;
 Indien men hem alleen mag heten,
 Wiens hart van foltring wordt doorreten.
  
      - ‘Gy gaat; (dus zucht Fernando diep,)
1175
 Weldra zijt ge uit mijn oog verloren,
      En schoon mijn stem u wederriep,
 Gy zoudt toch naar die stem niet hooren.
      Zóó is 't met onze vreugde op aard!
 Is ze eenmaal aan ons hart ontvloden,
1180
      Hoe weemoedsvol ook nagestaard,
 Terug laat zy zich nimmer nooden.
      Zy is gelijk de watergolf
      Die, korts geleên, het mosch bedolf
 1160  zaâl: zadel.


[p. 101]

 
 Met koelend schuim. By de eb van 't water,
1185
      Dorst de oever weêr: een nieuwe vloed
 Brengt onder lieflijk meirgeklater,
      Verkoeling aan voor zonnegloed;
 Maar ebbe en vloed klimme op en neder,
 Dezelfde golf keert nimmer weder.’ -
1190
      Nu draagt Fernando zijn trezoor, 1190  
 Omzichtig door de slotpoort: bevend
      By iedre heldre stralengloor
 Der fakkels, hem op 't plein omzwevend:
      In 't eind, langs hulppoort en rondeel, 1194  
1195
      Bereikt hy in het grijs kasteel
 Zijn overwulfd verblijf, en vleidt er
 Het dierbaar lijk ter aarde, spreidt er
      Zijn mantel over heen: klemt stil
      Zijn mond op 't voorhoofd, ijzig, kil,
1200
 En dat geen kus meer kan verwarmen:
 Nog ééns drukt hy zijn schat in de armen,
      En snelt dan heen, waar hem de wacht
      Verbeidt, by 't wijken van de nacht.
  
      De dageraad verrijst: met blinkend karmozijn 1204  
1205
      Tooit hy den horizon der geele zandwoestijn,
      En geeft haar 't aanzicht van een zee, in slaap gewiegeld,
      Door westerwinden: 't rood van 't lieflijk aanzicht spiegelt
      Zich in de Oasis: 't groen van 't ruisschend Palmenwoud,
      Omzoomt hy kwistig met een rand van smijdig goud,
1210
 En de Atlas door zijn blik behaaglijk gageslagen,
 Schijnt met vernieuwde kracht der heemlen wicht te dragen. 1211  
      Het woudgediert ontwaakt en wijdt hem d'uchtendgroet,
      En ziet de stralen van zijn meester in 't gemoet,
 Den trotschen Zonnegod, die in Afrijkes dalen
1215
 Voor 't oog van 't wareldrond zijn middagthroon doet pralen.
 1190  trezoor: schat.
 1194  rondeel: ronde of halfronde toren, uitgebouwd uit een muur.
 1204  karmozijn: purperrood.
 1211  wicht: gewicht.


[p. 102]

 
      Het leger van Bourmont, op oorlogslauwren heet,
      Staat voor de vest geschaard, en is ten storm gereed.
 De krijgsmortieren, met hun vracht van kogels, richten
 Hun koopren gorgels dreigend naar de roofvest: zwichten 1219  
1220
 Moet Husseyn heden, of het fransche heir vergaan.
      Aan 't Oosterdeel der stad ziet men de ruitren staan,
 Ib volle slaglijn, fier op 't schittrend zegevieren,
 In 't bloedig kampspel met Kabyl en Arabieren.
      Zy hebben 't Ibrahim by Khalefs dal getoond, 1224  
1225
      Wat onverwinbre moed en spierkracht in hen woont,
 En weêr in 't Middagland de wondren doen herleven,
 Door held Murat in 't plein van Aboukir bedreven.
  
      Ook aan de Noorderzy der stad, door d'Oceaan
      Bespoeld, bedreigt alom een vreesselijke orkaan.
1230
 De vloot van Duperré liet onder schaauw der wallen,
 Geen weêrstand duchtende, in het zand haar ankers vallen,
      En 't zelfde bliksemvuur, dat eens by Navarijn 1232  
      Den Turken doodlijk was, bestookt den Bedouijn.
 Dáár rijst de zon ter kim! - haar lichtglans ziet op zwaarden,
1235
 Op speren, helmen, staal, op land- en scheeps-standaarden,
      En tulbandwrongen, met een kostbre struizenveer
      Versierd, en helden, die den dood trotseerden, neêr.
 Dáár schalt de krijgstrompet! dáár klatert de oorlogsdonder
 Langs de oude roofstad; maar zy haalt het hoofd niet onder:
1240
      Zy geeft met woeker weêr, kartetsch, granaat en schroot, 1240  
      En wie haar zonen velt, schenkt ze op haar beurt den dood
 Maar eindlijk is Bourmont het Keizersfort genaderd, 1242  
 1219  gorgels: kelen (hier: monden).
 1224  Ibrahim: zie: Aanteekeningen, pag. 114
 1232  Navarijn: Navarino ( = Pylos); hier werd de Turks-Egyptische vloot op 21 oktober 1827 door een Engels-Frans-Russisch eskader vernietigd. Na deze slag was de sultan gedwongen de Grieken de vrijheid te geven.
 1240  kartets: bus gevuld met ijzeren kogels, die uit een houwitser werd afgeschoten en een soort van hagel-uitwerking op betrekkelijk korte afstand had.
schroot: lading van een kanon met onregelmatige stukken ijzer, wat eveneens een verspreidende werking op korte afstand had.
 1242  Van der Hoop geeft in zijn laatste Aanteekening een uitvoerige levensschets van Bourmont (pag. 99-106 van De Renegaat). Het is een geschiedenis van herhaaldelijk partij wisselen in de tijd van Republiek, Keizerrijk en Restauratie. Dit is voor Van der Hoop geenszins aanleiding tot kritiek. Het feit, dat Bourmont zich in de jaren twintig ‘een volkomen Royalist’ betoonde, dat hij Algiers veroverde en .... dat hij in 1832 bitter verguisd werd, was voor onze dichter belangrijker. ‘1832 was immers’ - zo besluit hij zijn Aanteekening - ‘het jaar, toen Frankrijk in de Citadel van Antwerpen, de Nederlandsche dapperen met zijne reuzige overmacht verpletterde? - Het kwam er in dat jaar op geene onrechtvaardigheid meer of minder aan voor een volk, dat aan de behoeften van het oogenblik zoo dikwerf het edelste ten offer bracht!’


[p. 103]

 
 Dáár, even als de storm een forschen eik ontbladert,
      Heeft hy, wat hem weêrstond, geveld als rijpend graan,
1245
      En duizend Turken in de worstling doen vergaan.
 De Maan van Mecca zwicht in 't eind op trans en muren.
 Geen enkel bolwerk meer beantwoordt de oorlogsvuren.
      Een kleine schaar alleen staat by de havenwal,
      In 't doodverspreidend vuur der fransche schepen pal.
1250
 Maar de eertriomph behaald op moedige Arabieren
 Volmakend, rukt een drom manhafte grenadieren
      Ter muurstorm voor, geleid door heirbijldragers. Hoor!
      Dáár volgt een schrikbre slag een rossen bliksemgloor.
 Dáár spat het Keizersfort verbrokkeld uit zijn naven! 1254  
1255
 't Is al in vuur, in smook en walmend puin begraven,
 En by het vlamgeruisch en 't schokkend muurgekraak,
 Krijschte op een schorren toon een stem het woord van WRAAK!
  
 Toen het zonlicht neeg ter kimmen, loeg het Frankrijks lelievaan,
 Als 't blazoen der overwinning met zijn stralen vriendlijk aan.
1260
 Husseyns hoogmoed was gekortwiekt: in den naam der menschlijkheid,
 Voegde Frankrijk by zyn daden 't allerschoonste wapenfeit;
 En de roofstaat, die sints eeuwen strafloos heerschte op 't wareldmeir,
 1254  naven: hier: voegen.


[p. 104]

 
 Is het bloedig zwaard ontwrongen, en zinkt in zijn NIET ter neêr.
 Toen in d'uchtend na den avond van zoo glorievol een dag,
1265
 Ook het puin van Karels burchtslot Frankrijks lelie planten zag,
 En men Algerijn of Franschman, die den jongsten snik dáár gaf,
 Schoon elkaâr in 't leven vijand, rust schonk in hetzelfde graf
 Vond men onder 't gruis bedolven, en met stollend bloed bespat,
 't Lichaam van een forschen krijgsman, die een jonkvrouw hield omvat;
1270
 Vreeslijk waren 's krijgsmans trekken door den pulverknal misvormd;
 Maar de maagd geleek een moschroos van den stengel afgestormd;
 En, terwijl een vloek de lippen van den man te ontvluchten scheen,
 Zweefde langs haar bleeke wangen hemelvrede en kalmte heên.
 't Was Fernando met Aline, hier in 't somber grafgesteent,
1275
 In het uur van Frankrijks zege, door de hand des doods vereend.