terug  begin  verderprepost
[p. 29]

3 Ed. Hoornik aan A.A.M. Stols, 30 juli 1938

[Amsterdam] 30 Juli 1938.

 

Hooggeachte Heer Stols,

Wij - Drie op één Perron - zijn U byzonder erkentelijk voor Uw uitvoerige schriftelijke uiteenzetting en begrijpen, dat het U moeilijk valt op het oogenblik een beslissing te nemen.

Wederom schrijvende namens mijn collega's, moet ik U dan in de eerste plaats mededeelen, dat van Hattum sterk gedupeerd is. Na de mondelinge verzekering van den heer van Oorschot, dat ‘Drie op één Perron’ in het a.s. najaar zou verschijnen, heeft hij onmiddellijk aan Mevr. Mea Mees-Verwey geschreven, en zijn bundel ‘Frisia non cantet’ [sic], die eveneens in October zou verschijnen teruggenomen.7 Hij was dus wel ten zeerste teleurgesteld door den inhoud van Uw brief, die ik heden met hem en den Brabander besprak.

Wat mij zelf betreft, ik ontving van den uitgever Boucher reeds drukproeven, en ik kon mij dus niet tot de ‘edelmoedigheid’ van van Hattum opwerken.8 Mijn bundel ‘Geboorte’ verschijnt in October a.s., en daarom ben ik er sterk voor met ‘Drie op één Perron’ tot het voorjaar te wachten, opdat de eene bundel de andere niet beconcurreert.9 Ik heb dan tevens gelegenheid de verzen, die ik U toezond, nog eens zorgvuldig te schiften en er eventueel enkele nieuwe aan toe te voegen, om zoo goed mogelijk op het perron voor den dag te komen.

Zooals U waarschijnlijk bekend is, krijgt van Hattum dit jaar nog een speciale Helikon-aflevering.10

Ik weet niet goed, hoe op Uw schrijven te antwoorden. Voor het uitgeven van poezie kunnen wij inderdaad bij niemand beter terecht dan bij U, en al kan ‘Drie op één Perron’ - dit in zeer groot vertrouwen - dan ook in de Uilenreeks verschijnen, alle drie geven wij aan Uw uitgeverij de voorkeur, ook zonder het gevraagde voorschot.

Nu is het ons gezamenlijk verzoek, of het U mogelijk is ons een bevestiging te geven van het verschijnen van den bundel ‘Drie op één Perron’ in het a.s. voorjaar bij U, of, indien U - wat ik niet hoop - Uw fonds zoudt moeten overdoen aan de firma Boosten & Stols, bij laatstgenoemde firma. U zult begrijpen, dat wij althans eenige zekerheid willen hebben. Met een spoedig antwoord zoudt U ons ten zeerste verplichten.

Met ernstige hoogachting.

Uw dw.

Ed. Hoornik.

7Mea Mees-Verwey (1892-1978) was de één na oudste dochter van Albert Verwey. Ze studeerde Nederlandse letteren in Leiden en trouwde in 1918 met de student Indische letteren Constantinus Alting Mees (1894-1978). In 1920 richtten ze samen de uitgeverij C.A. Mees te Santpoort op. Van 1920 tot 1932 was Mea Mees-Verwey mede-directrice en van 1932 tot 1950 (zij en haar man scheidden in 1935) directrice van de uitgeverij.
De tweede bundel van Jac. van Hattum, Frisia non cantat, zou niettemin in de week van 5 oktober 1938 bij uitgeverij C.A. Mees te Santpoort verschijnen.
8De overgrootvader van Louis Jean Charles Boucher (1907-1987) had in 1842 in Den Haag een boekhandel opgericht, die later door zijn vader werd overgenomen. In 1939 werd Boucher jr. hiervan vennoot. Daarnaast was hij in 1932 een uitgeverij begonnen. Boucher is tot 1983 directeur gebleven van de firma L.J.C. Boucher (boekhandel en uitgeverij). Daarna ging de winkel dicht en werd het fonds afgestoten.
9Geboorte. Een lyrische cyclus en andere gedichten, de vierde bundel van Ed. Hoornik, verscheen in de week van 7 december 1938 bij L.J.C. Boucher te 's-Gravenhage.
10De speciale Helikon-aflevering met gedichten van Jac. van Hattum zou niet in 1938, maar in maart 1939 verschijnen als nummer twee van jaargang 9.
prepostterug  begin  verder