terug  begin  verderprepost
[p. 37]

11 Ed. Hoornik aan A.A.M. Stols, 25 november 1938

25 November '38.

 

Geachte Heer Stols,

De uitstekende uitgave van ‘Drie op één Perron’ en de prettige correspondentie, welke wij voor het verschijnen daarvan, voerden, zijn aanleiding, dat ik U hierbij een nieuwe bundel aanbiedt.42

Over het gedicht ‘Requiem’, waarmede het nieuwe tijdschrift ‘Werk’ wordt geopend, en dat ik in deze bundel zou willen opnemen, schreef Vestdijk mij, dat het behoort tot het beste wat in Nederland wordt geschreven.43 Over de serie ‘Steenen’, (onder welke titel ik tevens de geheele bundel wilde samenvatten), die voor een deel in het a.s. December-nummer van ‘Groot Nederland’ verschijnt, waren èn Vestdijk èn Greshoff bepaald enthousiast.44 Met nog een aantal ‘Beelden’ meen ik een bundel te hebben samengesteld, welke beter dan ik tot nu toe uitgaf, is.45 Hij ademt de angst, de spanning, waaronder wij gedoemd zijn te leven, en heeft zóó gezien ook eenigszins een actueele waarde.46

Ik sluit de voorloopige copy, die ik gaarne terug kreeg, hierbij in; het ligt n.l. in mijn bedoeling Vestdijk te verzoeken deze bundel te willen samenstellen, en U in Januari de definitieve copy te zenden, in de hoop, dat de bundel dan begin Maart zou kunnen verschijnen.47

Van mijn bundel ‘Dichterlijke Diagnose’ zijn 200 exemplaren verkocht; van ‘Mattheus’ iets meer; ‘Geboorte’ is pas uit, daarover heb ik dus nog geen oordeel. Maar ik geloof zeker, dat U van ‘Steenen’ 300 exemplaren kunt opleggen;48 Van Oorschot kan ik dan weer een lange lijst adressen bezorgen.

Is mijn indruk, dat de verkoop van ‘Drie op één Perron’ wel loopt, juist?

Gaarne vernam ik spoedig van U, of U bereid bent, en zoo ja onder welke voorwaarden, ‘Steenen’ in het a.s. voorjaar uit te geven.

Met ernstige hoogachting:

Ed Hoornik.

 

N.B. Het schiet mij te binnen, dat sedert eenige weken niet Vestdijk maar Marsman de poëzie in de ‘N.R.Crt.’ bespreekt. Het exemplaar van ‘Drie op één Perron’, dat U aan de N.R.Crt. stuurde, is dus vermoedelijk naar Marsman doorgezonden. Zoudt U Vestdijk, onze opdrachtnemer, Leuvenschestraat 12, Scheveningen, een exemplaar willen doen toekomen?49 Greshoff zult U waarschijnlijk wel een exemplaar hebben gestuurd?50

42Dit was de bundel Steenen, die in de week van 12 april 1939 bij Stols zou verschijnen.
43Het eerste nummer van Werk 1 (1939) 1 (januari), p. 2-9 opende met de gedichtencyclus ‘Requiem’ van Hoornik. Met een aantal kleine wijzigingen werd dit ook de eerste afdeling van de bundel Steenen (p. 6-21).
Op 1 oktober 1938 schreef Hoornik aan J. Greshoff: ‘Doet u vooral mijn groeten aan Vestdijk. Mocht hij tijd en lust hebben, laat U hem dan “Requiem” lezen; ook ben ik benieuwd naar zijn oordeel omtrent de serie “Steenen”, die ik U voor Groot Nederland gaf.’
Vestdijk zou ‘Requiem’ lezen. Op 10 oktober 1938 schreef hij Hoornik, na eerst enige punten van kritiek op ‘Reguiem’ te hebben gegeven; ‘Overigens behoort dit gedicht, zooals het reilt en zeilt, dan toch nog heel gemakkelijk tot het beste wat hier in Holland verschijnt, zoodat u zich van mijn kritische opmerkingen niets hoeft aan te trekken.’
44In Groot Nederland 36 (1938) 12 (december), p. 622-625 werden onder de titel ‘Steenen’ tien gedichten van Hoornik opgenomen: ‘Nocturne’, ‘Gedaanteverwisseling’, ‘Vlucht’, ‘De gestorvene’, ‘Logement (droom)’, ‘Angst’, ‘Het huis’, ‘Ontwaken’, ‘Feestweek 1938’ en ‘Ontploffing’. Deze gedichten, met uitzondering van ‘Nocturne’, vormden de tweede afdeling van de bundel Steenen (p. 24-33). Tussen ‘Het huis’ en ‘Ontwaken’ werd in de bundel nog het gedicht ‘Dreiging’ toegevoegd.
Hoornik had de serie ‘Steenen’ aan J. Greshoff gestuurd voor Groot Nederland. De reactie van Greshoff op deze serie gedichten is niet achterhaald.
S. Vestdijk schreef in zijn brief aan Hoornik van 10 oktober 1938: ‘Uw beide verzen voor Gr.-N., die ik heel goed vind, zal ik terstond doorsturen. Inderdaad was ik erg ingenomen met uw inzending; bij “Steenen” waren wel is waar een paar inzinkingen, doch ik had geen reden daarom die reeks te verminken door ze weg te laten, te meer omdat de geslaagden tot het beste behooren wat ik ooit van u las.’ Aan dit oordeel hechtte Hoornik veel waarde, gezien een passage uit een brief van hem aan Greshoff van (waarschijnlijk foutief gedateerd) 3 oktober 1938: ‘Hij [Maurits Mok] was even verblijd over het spoedige gunstige antwoord als ik over Vestdijk's enthousiasme omtrent “Steenen”. Ik verkeerde omtrent de kwaliteit dezer verzen erg in het onzekere, en ben nu gerustgesteld.’
45Steenen was Hoorniks vijfde bundel.
De derde afdeling van Steenen droeg de titel ‘Beelden’ en bestond uit twaalf gedichten (p. 36-47).
46In een lezing over eigen werk zou Hoornik later zeggen: ‘Terwijl dat gevecht met de materie, als ik het nog even zoo noemen mag, zich afspeelde, schreef ik in Brussel de bundel Steenen, waarin die strijd ook wel zijn afspiegding zal vinden, maar waarin ik tegelijkertijd de dreiging, waaronder de Europeesche mensch vlak voor het uitbreken van het fascistische geweld leefde, heb trachten te verbeelden, zonder daarmee te willen zeggen, dat onder andere omstandigheden de mensch onbedreigd zou zijn. Gevoelens van schuld en angst, van verraden worden en zelf te verraden, die inhaerent zijn aan het bedreigde menschelijke bestaan heb ik in korte, gedrongen, haast nuchtere gedichten willen evoceren.’ (Ed. Hoornik, Toetssteen, 's-Gravenhage 1951, p. 157.)
47Dat Vestdijk de bundel ook daadwerkdijk heeft samengesteld valt op te maken uit Hoorniks brief aan Stols van 11 januari 1939, waarin hij schrijft: ‘Hierbij stuur ik je de door Vestdijk uitgezochte 37 gedichten, die in den bundel “Steenen” moeten worden opgenomen.’ Vestdijk gaf zijn mening over de kwaliteit van de gedichten en deed suggesties over op te nemen en te schrappen verzen.
48De oplage van de eerste druk van Steenen zou 500 exemplaren bedragen.
49De bundel was aan Simon Vestdijk opgedragen, omdat vooral hij de poëzie van ‘De Amsterdamse School’ had vergeleken met de vroegere poésie-parlante van E. du Perron (zie inleiding).
50Greshoff noemde Drie op één perron in een artikel dat hij wijdde aan Ed. Hoornik, getiteld ‘Rondom Hoornik. De dichter en zijn figuur’, in Het Hollandsche Weekblad 7 (1939) 37 (16 september), p. 10.
prepostterug  begin  verder