3-1-1939
Beste Hoornik,
Hartelijk dank voor je brief. Ik ben Vrijdag in Amsterdam geweest, doch helaas te kort om naar je toe te komen. Wel heb ik nog gelegenheid gehad om Blijstra op te bellen. Hij had de roman aan De Bourbon voor de Gemeenschap gegeven.75 Doch hij zou hem terugvragen. Ik heb De Bourbon ook nog geschreven. Hartelijk dank voor je bemiddeling.
Je geeft me wel het adres van de juffrouw die kinderverhalen schrijft, maar niet haar naam. Ik kan haar zoo moeilijk schrijven. Zou je mij haar naam even willen mededeelen?
Gaarne zie ik spoedig de copie van je bundel tegemoet. Van Mok heb ik ook een bundel,76 verder een van Morriën77, van Franquinet.78 Dat wordt dus weer een vloed van poëzie in dit voorjaar... En met dat alles nog geen roman voor het voorjaar, tenzij de roman van Franquinet zoo uitgevallen blijkt te zijn, dat hij acceptabel is.79
Met van Hattum heb ik een minder aangename correspondentie gehad. Hij is fel gebeten op Greshoff, die een mijner dierbaarste vrienden is.80 Ik ken Jan nu bijna 20 jaar en ik kan geen kwaad van hem hooren, omdat ik weet dat hij de beste kerel op de wereld is. Maar van Hattum is zoo fel, dat ik hem een van de redenen weerleggende, niet kon overtuigen. Onze correspondentie is dus afgeloopen. Jammer, maar ik stel vriendschap nu eenmaal ontzettend veel hooger dan het heele littéraire leven. En wie aan mijn vrienden raakt raakt aan mij...
Aan Den Brabander zal ik eerstdaags weer schrijven. Maar ik heb het ontzettend druk.
Nog hartelijk bedankt voor de rijmprent.81 Jammer dat deze zoo gehavend arriveerde. Ik zal probeeren ze op te kalafateren.
Hoor ik gauw wat van je?
Met hartelijke groeten,
je
A.A.M. Stols.