terug  begin  verderprepost
[p. 71]

45 Ed. Hoornik aan A.A.M. Stols, 4 april 1939

[Amsterdam,] 4 April [19]39

 

Beste Sander,

Hierbij zend ik je de gecorrigeerde proeven terug.

Je weet, dat aan de afdeeling ‘Achter glas’ drie nieuwe gedichten zijn toegevoegd; ik heb er thans nog zeven bijgedaan, alsmede een kleine serie ‘Shrapnells’.139 Ik zou het bijzonder op prijs stellen indien je deze verzen nog in den bundel deed opnemen. In dezen geest wijzigde ik ook de inhoudsopgave en de ‘Aanteekening’;140 uit ‘Mattheus’ is nog één strophe vervallen. Er zijn dus nu in het geheel tien nieuwe gedichten en de ‘Shrapnells’. Daar je over een uitstekende zetter beschikt, is revisie niet noodig; alleen moeten de nog niet gezette gedichten later gecorrigeerd worden. Zie maar wat je hiermee wilt - dat jij of dat ik het doe.

Gaat de Volksalmanak nog door?141 Zoo ja, wanneer moet je dan de gedichten hebben en hoeveel ongeveer?

Hartelijks!

Je Eddie.

[p. 72]



illustratie
Ed. Hoornik aan A.A.M. Stols, 28 juli 1938. (Collectie Letterkundig Museum, Den Haag.)

139De tien gedichten die in Geboorte, gevolgd door Mattheus en andere gedichten aan de afdeling ‘Achter glas’ werden toegevoegd, zijn: ‘Dienster’ (p. 75), ‘Feest-maal’ (p. 76), ‘Eenzaamheid’ (p. 81), ‘Goede Vrijdag’ (p. 82), ‘Kerstmis 1915’ (p. 83), ‘Emigrant’ (p. 84), ‘Mijn moeder werd begraven’ (p. 85), ‘Meisje’ (p. 86), ‘Wroeging’ (p. 87) en ‘Adam’ (p. 88).
De serie ‘Shrapnells’ bestaat uit vijf kwatrijnen: ‘Gehoorzaam, maar niet aan tyrannen’, ‘Als de dag je het sprookje wil rooven’, ‘Mijn moeder sprak vaak van de dingen’, ‘Geblinddoekt, de handen geketend’ en ‘Ik groef; toen zag ik oogen’ (p. 89).
Hoornik verklaarde de titel ‘Shrapnells’ in een brief aan J. Greshoff van maart 1939 als volgt: ‘De politieke spanning der laatste dagen loste zich bij mij op in een aantal korte gedichten, ontladingen, die ik “Shrapnells” noemde.’ (Een ‘shrapnel’ is een granaatscherf.)
140Zie br. 32.
141Hoornik doelt hier waarschijnlijk op de door Jan H. de Groot en Maurits Mok samengestelde bloemlezing Poëtisch appèl, die door Stols werd uitgegeven in de week van 27 september 1939 in een oplage van duizend exemplaren. Op 31 maart hadden de samenstellers van de bloemlezing zich per circulaire tot de Nederlandse dichters gewend met het verzoek gedichten af te staan ‘welke kunnen worden beschouwd als een getuigenis tegen de politiek-ideologische geestesverwarring, waaraan de beschaving ten onder dreigt te gaan.’ In deze bloemlezing wordt blijkens de verantwoording getracht ‘een beeld te geven van den neerslag der groote gevaren van dezen tijd [...] in het werk der Nederlandsche dichters’ en om ‘zoo krachtig mogelijk op te komen tegen een geestesgesteldheid, die de Europeesche beschaving met ondergang bedreigt’. De bundel bevatte gedichten van tweeëntwintig vooraanstaande dichters uit verschillende generaties. Van Hoornik werden twee gedichten opgenomen: ‘Pogrom’ (Steenen, p. 41) en ‘Vluchteling’ (Geboorte. Een lyrische cyclus en andere gedichten, p. 26).
prepostterug  begin  verder