terug  begin  verderprepost
[p. 94]

66 Ed. Hoornik aan A.A.M. Stols, 18 augustus 1939

[Amsterdam.] 18-VIII [19]39

 

Beste Sander

Hartelijk dank voor je chèque, die het mij gemakkelijker maakte mij met de ietwat bitse toon van je brief te verzoenen!

Op drie plaatsen stelde je in mijn inleiding wijzigingen voor, of nog liever schrapping van tusschen roode haakjes geplaalste passages. In twee gevallen ben ik geheel - maar weinig geestdriftig! - aan je wensch tegemoet gekomen. Maar in de aanhef van de inleiding kan ik werkelijk niet tot schrapping overgaan, zonder het stuk te verknoeien. Ik heb deze zin nu ‘verzacht’. Mok en Franquinet zijn in hun beschrijvingen ouderwetsch, hetgeen voor veel lieden een aanbeveling is.225 Bovendien zeg ik van hen toch, dat zij op den voorgrond tredende jongeren zijn. Ik moet hun namen noemen, omdat zij typische vertegenwoordigers zijn van een strooming, waartegenover lijnrecht staan: Morriën, Achterberg, Lehmann, en waartusschen in figuren staan als Van Hattum, Den Brabander, V.d. Steen.226 Ik kan over Achterberg niet schrijven, zonder zijn antipode te noemen. Bovendien gaat mijn inleiding niet alleen over dezen dichter, maar tracht zij een omschrijving te geven van het begrip moderne poëzie.

Ik hoop, dat je mijn houding zult kunnen billijken.

met hartelijke groeten

In haast

Je Eddie.

225De drukproef van de inleiding tot Eiland der ziel, die Hoornik aan Stols terug had gezonden, is niet achterhaald. Er is wel een een andere drukproef van deze inleiding aanwezig, maar de status hiervan is echter onduidelijk. Het is in ieder geval niet de in deze brief bedoelde proef, aangezien er geen ‘rode haakjes’ op staan. (Letterkundig Museum, Den Haag.)
Wel is in deze proef één passage aan te wijzen waarvan met enig voorbehoud kan worden aangenomen dat Hoornik deze onder druk van Stols in de uiteindelijke inleiding heeft weggelaten. Het betreft hier het in het volgende citaat onderstreepte tekstdeel: ‘Ook Achterberg laat zich vaak leiden door den klank van het woord, maar hoe anders dan dit bijvoorbeeld bij Franquinet het geval is. Want terwijl het bij den Limburger soms louter uiterlijkheid en klinkklank is, laat Achterberg niet eerder los, voordat het woord “grond gehaald” heeft en in de poëtische spanning staat’; de andere schrapping betreft waarschijnlijk de typering van de verzen van Kemp: ‘[...] anderzijds gebeurt het wel, dat het gedicht in de intentie blijft steken, niet opgelost wordt, zooals dat bijvoorbeeld het geval is bij enkele rudimentaire, kortademige gedichten van Pierre Kemp.’ Hoornik zou de passage waarin hij Achterberg vergelijkt met Mok en Franquinet niet schrappen, maar het onderscheid positiever brengen, door Mok en Franquinet op de voorgrond tredende jongeren te noemen: ‘Figuren als Mok en Franquinet - twee op den voorgrond tredende jongeren - zijn typisch ouderwetsch in hun wijdloopige beschrijvingen, die de dichterlijke intentie overwoekeren; de in de inspiratie wortelende kernen zijn niet terug te vinden in de weelderige kleur- en klank-entourage, gevoelsverspreiding en beeldenroes.’ (Gerrit Achterberg, Eiland der ziel, Maastricht 1939, p. 5.)
226Eric van der Steen (pseud. van Dirk Zijlstra, 1907-1985) debuteerde in 1931 bij uitgeverij De Gemeenschap in Utrecht met Nederlandsche liedjes; in 1932 verscheen bij dezelfde uitgeverij zijn bundel Gemengde berichten. Stols gaf van hem in 1940 in de Helikon-reeks de bundel Cadans uit.
prepostterug  begin  verder