262Eddy du Perron (1899-1940), die Stols in Brussel had leren kennen, vroeg zelf ook aan Stols om toezending van dit werk. Dit blijkt uit een brief van 12 december 1939; ‘Breng of zend je me de Gedichten [bedoeld is
Steenen] van Hoornik?’ (E. du Perron,
Brieven (ed. Piet Delen [et al.]), dl. 8, Amsterdam 1984, p. 373.)
In het
Bataviaasch Nieuwsblad van 18 mei 1940 verscheen een bespreking door Du Perron, getiteld ‘Poëzie op Amsterdamsch peil’ van het werk van Jac. van Hattum (
De pothoofdplant,
Frisia non cantat,
Drie op één perron en
Bilzenkruid). Op 25 mei 1940 volgde een bespreking van het werk van Gerard den Brabander, onder de titel ‘Dichters van het berijmd cynisme’ (
Vaart,
Gebroken lier,
Opus 5,
Drie op één perron). Deze besprekingen verschenen postuum, want E. du Perron was op 14 mei 1940 overleden. Van Hoorniks werk verscheen geen aparte bespreking. Volgens een annotatie van F.E.A. Batten in de bibliografie van E. du Perron, is het slotartikel over de poëzie van Hoornik wellicht tijdens de Duitse bezetting verloren gegaan. (Zie E. du Perron,
Verzameld werk, dl. 7, Amsterdam 1959, p. 582.)