De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 17]origineel

Desiderius Erasmus.

Wy hadden niet gedacht dat dit groote licht der geleertheid onzen Schouburgh zou beschenen hebben; (want wy al ter halver wegen van ons pennewerk gekomen waren, eer wy hadden ontdekt, dat hy ook 't penceel uit Konstliefdigheid gehanteerd had) en noch minder dat wy met dit zelve het Tooneel openen zouden. Maar Dirk van Bleiswyk gaf ons in zyne Beschryving van Delf, de gelegenheid daar toe aan de hand, op de 321 en 360. bladzyden.

Hy is geboren binnen de Stadt Rotterdam in 't Jaar 1466, op den 28 van Wynmaand. Anderen willen dat hy tot Gouda geboren is, en tot Rotterdam aan de Maas opgevoed. Wy laten het die Stedelingen betwisten. Zyn Vader was Gerard, en zyn Moeder Margriete genaamt, afkomstig van een eerlyk geslacht te Zevenbergen. Deze, ontydig door de pest uit deze waerelt wechgerukt zynde, quam onze Gerard Gerardzen (welke benaminge hy naderhand in Desiderius Erasmus verwisselde) onder het bestier van drie opzigters of voogden: die hem, (na dat hy al vorens tot Deventer de beginselen der taalgeleertheid aangevangen had) in 's Hartogenbosch in 't Fraterhuis bestelden, met voornemen om hem tot de Kap op te brengen. Maar alzoo de pest aldaar hand over hand toenam, wendde hy zig weder tot zyne voogden, die nergens meer op toeleiden dan om hem het Kloosterleven smakelyk te maken; gelyk hy dan hunne geneigtheid ten gevalle, zig begaf in het vermaarde Klooster, dicht by Delf gelegen, Sion genaamt. Dit was ontrent den jare 1486.

De proefjaren uit, en hem gevraagt zynde wat

[p. 18]origineel

hy nu van zin was, gaf hy den Oversten van 't Klooster tot antwoort: Dat hy noch de waereld, noch het kloosterleven, noch ook zig zelven recht kende, en gevolgelyk tot geen Verband kost besluiten, maar voornemens was, gelegenheit te zoeken van zig vorder in de geleertheit te oeffenen. Doch dit ging zo vlot niet, ten zy de Bisschop van Uitrecht hem een voorspraak waar geweest, die hem ook een byzondere gunst bewees, met hem voor te dragen by den Bisschop van Kamerik, die voorgenomen had een reis door Duitschland en Vrankryk, naar Italien te doen, en iemant zocht, die bedreven was in veele talen: 't geen onzen Desiderius beter geleek, dan binnen den ringmuur van een Klooster besloten te zitten.

Die reis volbracht, en hy weder in Holland gekomen zynde, leiden zyne twee Voogden, (een was onderwyl gestorven) hem op nieuw, als voren aan 't oor, zelf met bedreiginge, dat hy zig tot het kloosterleven schikken zoude. Daar echter 't niet toe zoude gekomen hebben, ten ware een zyner goede kennissen, daar hy in zyne jeugt te Deventer mee ter school gelegen, en op een kamer geslapen had, hem door schoone woorden had weten te bekoren. Gelyk hy gevolgelyk zig dan in het klooster Emaus, of ten Steene genoemt, by Gouda, op den Yssel gelegen, begaf. Of het nu is geweest de geneigtheid tot zyn ouden Vriend, de overvloed van deftige Boeken, daar men doen ter tyd zoo gereed niet als thans aan konde geraken, of dat de wetten van dat Convent, hunne kloosterlingen zoo eng in hunne doeningen niet bepaalden, dat hy dit voor andere verkoos, weet ik niet; hoewel ik rede vind om het laatste te gelooven; aangezien hy, aldaar in zyne uitspanningen,

[p. 19]origineel

de Schilderkonst geleert, en geoeffent heeft; ja zoo hoog daar in door byzonderen vlyt, en vernuft is opgeklommen geweest, dat de Gedenkschriften melden, dat de Prioor Kornelis Musius, eertyds een Tafereel, verbeeldende de kruissing van Christus, gehad heeft, dat Erasmus geschilderd had; 't geen van alle Konstkenners geprezen, en van gemelden *Musius voor wat byzonders in zyn Konstkabinet bewaard is geweest.

Een groot vernuft vind de toegangen, die tot de wetenschappen leiden, gebaant. Zoo dat Gratiaan te regt zeid: Daar zyn lieden die ras volmaakt worden, in alles wat het ook wezen mag; andere ook die traag of zelden daar toe geraken; de rede is, om dat de een zyne vleugelen, de ander zyn beenen gebruikt.

Meerder aanwyzinge van zyne Konstwerken ben ik niet magtig geworden; en geen wonder, de tyd heeft van 't Klooster, waar in hy de Konst geoeffent heeft, den eenen steen op den anderen niet gelaten; alleen is de naam, ten bewys dat het'er geweest is, door de loffelyke Schryf- en Drukkonst, in weerwil van den verslindenden tyd, uit het puin, ter onsterflykheid, geborgen.

Hy is te Bazel gestorven op den 11 van Hooimaand 1546, oud 70 Jaren, en heeft een onverwelkelyke roem van wegen zyn geleertheid nagelaten.

Zyne gevolmachtigden over de uitdeelinge van zyne naarlatenschap, hebben hem te Bazel, in de Groote Kerk, een aanzienlyke Grafstede laten op-

[p. 20]origineel

rechten. Gelyk ook de Rotterdammenaren tot luister hunner Stad, hem eerst een steenen, naderhand een metalen beeld hebben opgerecht; daar de Prins der Nederduitsche Dichters, dus van spreekt:

 
Wat wysheit Latium en Grieken hield besloten,
 
Begreep gansch Kristenryk zoo haast Erasmus kwam,
 
En gaf met zynen naam aan Hollands Rotterdam,
 
Een naam, vermids hy was uit haren schoot gesproten.
 
Zy, als de dood het licht voor hem had afgeschoten,
 
Noch 't rottende gebeent', noch stuivende assche nam:
 
Maar rechtte een steenen* Beeld. De Nyd spoog vuur en vlam,
 
En zocht geweldig hem van 't Outer af te stooten.
 
Dan laas! Geleertheits pronk zig keerd aan nyd noch spyt.
 
Geen graf zyn Faam bestulpt. Hy helderd met den tyt.
 
Zyn krans groent onverwelkt, en bloeid in afgunst veylig:
 
Die onlangs was van Steen, nu glinstert van Metaal.
 
En zoo de Nyd zig steurt aan deze pracht of praal,
 
Zoo giet men licht van Goud den Rotterdamschen
 
Heylig.

Op den voet des beelts heeft men dit van J. Oudaan:

 
Hier rees die groote Zon, en ging in Bazel onder:
 
De Ryksstad eer' en vier' dien Heilig in zyn Graf;
 
Dit tweede leven geeft, die 't eerste leven gaf;
 
Maar 't licht der talen, 't zout der zeden, 't heerlyk Wonder,
 
Waar met de Liefde, en Vrede, en Godgeleertheit praalt,
[p. 21]origineel
 
Word met geen Graf geëert, noch met geen beeld betaalt:
 
Dies moet hier 't luchtgewelf Erasmus overdekken,
 
Nadien geen mind're plaats zyn Tempel kan verstrekken.

Hier aan volgt de Konstige Glasschilder