De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

David Lorisz.

Hy was geboren te Delf: maar in wat jaar is my tot nu toe onbekend; alleenlyk word besloten, dat hy een Delvenaar was, uit de predikinge der zesentwintig Apostelen, die van den Koning der Wederdooperen waren uitgezonden, welke onder andere nieuwe verzinzelen den Volken verkondigden, dat 'er zederd Christus, vier Propheten waren opgestaan: twee valsche, te weten de Paus van Romen, en Martyn Luther; en twee waarachtige, namelyk Jan van Leyden, en David van Delf. Deze was (voor den tyd dat hy door Obbe Philips tot Bisschop over de Doopsgezinden tot Delf gesteld wierd) een konstig Glasschilder van zyn beroep; waar van noch zommige overblyfzelen te Delf, in 't jaar 1667. te zien waren.

Hy was een Speelmans zoon, onbedreven in taalkunde, doch volgens getuigenis van alle die van hem hebben geschreven, eigen wys, en niettemin byzonder loos, enz. schoon van aangezicht, en wel gemaakt van leden, in zeeden gemaniert, en wel bespraakt. Hy had een langen gekrulden geelen baard, waar aan hy ook, als men hem, begraven zynde, naderhand weder ontgraafde, om te verbranden, kenbaar was.

In den jare 1538 den 2 van Loumaand kwam het eerste Placcaat tegen hem uit; waar uit men by gissinge eenigzins zyn levenstyd kan afmeten: en het tweede Placcaat den 2den van Sprokkelmaand daar

[p. 22]origineel

aan volgende, binnen welken tusschentyd zyn moeder (die in het doodvonnis genoemt word Marytje, Jan de Gorters Dochter, Weduw van Joris de Coman en Moeder van David Jorisz) om dat zy herdoopt was, binnen 't Klooster van de Cellebroers te Delf wierd onthooft, en ook daar begraven.

Wanneer hy zich aan langer, uit vreeze van aangegrepen te worden, en in banden te geraken, in de Nederlanden niet dorst vertrouwen, is hy in 't Jaar 1544 met zyn Huisgezin naar Bazel vertrokken, en na dat hy daar els jaren gewoont had, op den 26 van Oegstmaand 1556 gestorven, en in de Parochie- of Hooftkerk, (zyn naam verandert hebbende in Jan van Broek om niet agterhaald te worden) begraven.*

Heden worden noch van zyne Teekeningen by de Liefhebbers t'zyner gedachtenisse bewaard. De Konstliefdige Jacob Moelaart te Dordrecht heeft 'er vier stuks die van zyn eigen hand geteekend zyn, te weten: de Vinding van Mozes. De verbeelding van 't Lant van Beloste: Daar Petrus de sleutels ontfangt. En de verbeelding van den Hoofdman over Honderd. Deze met de pen omgetrokken en met het penceel geschaduwt, zwemen naar de handeling van Lucas van Leyden.

Zyn beeltenis kan men zien in de Plaat A. nevens die van Erasmus, waar onder aan de byvoegzelen der Konstgereetschappen zich een masker omwoelt van een slang ('t geen ten Zinnebeeld van zyn levenswyze strekt) doet zien.