De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johannes Snellinks]

JOHANNES SNELLINKS. Karel van Mander noemt hem Hans Snellink, en spreekt, in 't leven van Octavio van Veen, aldus van hem: Daar is te Antwerpen een uitnement Schilder, gebooren (zoo ik 't wel heb) te Mechelen, wonder fraai in 't verbeelden van Historien, en Bataljes. Hy is van Princen en Heeren dikwils gebruikt geweest, om Nederlandsche veltslagen te schilderen, en wist heel eigentlyk het krygsvolk, hier en daar door den damp van 't buskruid bewolkt, te verbeelden. Hy mach nu 1604. een man van 55 jaren wezen. By gevolg geboren 1549. Meer weet ik ook niet van hem, als dat de groote van Dyk, hem van wege zyne Konst heeft waardig geacht, onder de beste Konstschilders te stellen, en zyn beeltenis door eigen hand af te malen. Gelyk het zelve ook onder die, welke in print uitgaan, getelt word. Ik heb hem in de Plaat A boven aan plaats ingeruimt. My is nooit van zyne werken, maar wel de roem van de

[p. 36]origineel

zelve voorgekomen. Het had de Bie, die zoo veel korter op van Mander gevolgt is, doenlyker geweest, van hem wat te melden, dan my, nu'er zoo veele jaren verloopen zyn. Maar wat raad? wy moeten 't ons getroosten, dat wy van sommige Konstschilders, die in onzen tyd noch geleeft hebben, maar weinig weten te zeggen; ja naaulyks agter sommiger geboortentyd hebben kunnen komen; zoo om dat 'er van de zelve geen nageslacht meer overig was, en zy die hen in hun leven gekend hadden, dood waren, als ook om dat sommigen, die noch al veel bericht daar omtrent zouden hebben konnen geven, zig daar aan niet lieten gelegen zyn; 't geen my dikwils verdrietig gemaakt heeft, ziende dat myn yver zoo traag geholpen wierd. Ja ik kan den Lezer wel verzekeren met waarheid, dat, indien ik een yder, waar van ik onderrigtinge, in dingen die duister voor my waren, verzocht hebbe, in dien zelven yver en geneigtheid gevonden had, als daar ik in was, veele zaken meer in 't licht zouden gekomen hebben, die nu wel voor altoos in 't duister zullen begraven blyven.