De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Octavio van Veen]

OCTAVIO van VEEN, geboren uit een aanzienlyk en vermaard geslacht, tot Leiden, in 't jaar 1558. Verloor zyn ouders vroeg. Zyn Voogden of Opzichters lieten hem de Taalkunde, en teffens de Tekenkonst leren, by Isaak Nicolai, die in den jare 1596 Borgermeester tot Leiden was. Met zyn vyftiende jaar bestelden zy hem te Luik, om zig in de taalgeleertheid voort te oeffenen. Hy gaf al vroeg blyken van zyn groot vernuft, zoo in de tale, als in de teekenkunde, daar hy wel inzonderheid toe geneigt was; des zocht hy onder voorwending van de taaloeffening voort te zetten, gelegentheid om daar in te konnen voort gaan, 't geen hem gelukte. Hy had byzondere kennis aan den Kardinaal Groosbek (zeit du Pile) die hem brieven van voorschryvens gaf aan den Kardinaal Maducio te Rome, daar hy wel ontfangen werd. Hy oeffende zig voorts in de Talen, in de Natuurkunde, Dichtkunde, Wiskunstige Wetenschappen, en Schilderkonst, onder opzicht van Fred: Zuchero, zoo dat hy in Italien wierd aangezien voor een Man op alle Wetenschappen afgerecht en gevolgelyk voor een van de grootste verstanden van dien tyd.

Na dat hy nu eenige roemwaardige werken gemaakt had, vertrok hy naar Duitschland en wierd

[p. 39]origineel

ten eersten in des Keizers dienst ontfangen. Naderhand ook by de Keurvorsten van Beyeren en Keulen. Doch alle de voordeelen die zy hem aan de Hoven aanboden, waren niet machtig om hem lang te houden, maar hy vertrok, en ging vervolgens zyn dienst den Prins van Parma (die toen het bestier over de Nederlanden had) aanbieden, en schilderden des Prinssen Pourtret levens grootte ten voeten uit in 't harnas.

Na de dood van dezen Prins vertrok hy naar Antwerpen daar hy veele Konstwerken maakte, die daar noch in de Kerken zyn te zien.

Als Aartshertog Albert van Oostenryk het bestier in de plaats van Parma had, ontbood hy hem tot Brussel te komen, en maakte hem opziener van de Geldtmunt; doch niettegenstaande hem dit ampt veel belemmeringe gaf, liet hy niet na te Schilderen. Hy schilderde gemelden Aardshertog nevens de Infante Clara Eugenia Isabella, Dochter van Philips den II. Koning van Spanje, geboren in den jare 1566. en getrouwd met den Aardshertog Albertus 1599. die een Zoon was van Keizer Ferdinand den II. Welke stukken tot een vereeringe gezonden werden aan Jakob Koning van Engeland.

Om nu te toonen dat zyn geest tot alles bekwaam was, maakte hy een lange reeks van Emblemataa, of zinnebeelden, een werk alleen voor vernuftelingen.

Dus zag men van hem zinnebeelden van Horatius. 't Leven van St. Thomas van Aquina, en zinnebeelden van de ydele liefde; die hy opdroeg aan gemelde Infante, die hem daar voor zoo veel gunst bewees dat zy hem verplichtte ook iet diergelyks te maken van de Goddelyke Liefde.

Lodewyk de XIII. Koning van Vrankryk deed

[p. 40]origineel

hem verscheiden malen zyn Hof aanbieden, maar te vergeefs; want hy had voorgenomen in de Nederlanden zyn leven in de Konst te slyten. Gelyk hy ook te Brussel gestorven en begraven is in 't jaar 1629, den 6 van Bloeimaand.

Octavio, komt my voor uit alle omstandigheden d'eersten of voornaamste geweest te zyn, die uit het Oorlogspuin 't hooft boven gesteken, en den opbouw van de Konst in Nederland (daar door de schult des Oorlogs, Konst en Konstenaars ontbraken) voortgezet en aangekweekt heeft, waarom men dan met recht van hem heeft mogen zeggen:

Dum quondam ingentis & .....

Dat op dezen zin uitkomt, waar in hy sprekende word ingevoert,

 
Veel stoffen dat hun pen de Helden tot de wolken
 
Heeft opgebeurt om 't slaan van onverwonnen Volken,
 
En hunnen roem door heel de Waerelt getrompet.
 
Maar my lust onze Konst dus lang door Mars verplet,
 
En in een oorlogsnacht gedompelt en begraven,
 
Weêr op te beuren, en heur luister te doen draven
 
Door al het waereltront. Door myne nyvre hand
 
Is weêr de Kunst gebragt in haren hoogen stant,
 
Waar op ik moedig ben ten trots der lasteraren.

om welke rede wy zyne Beeltenis op de Tytel geplaatst hebben.

Dat de alverwoestende Oorlog het Graf der Konsten en het bederf der Konstenaren is, geeft de Y-

[p. 41]origineel

stroomdichter niet onsierlyk in den voorzang van zyn Zege der Schilderkonst dus te kennen:

 
O Konsten buigt voortaan uw hooft,
 
Als gy de Krygstrompet hoort steken:
 
Dat schel geluit vermoeit uw spreken.
 
De blakende Oorlogsvlam verdooft
 
Den luister, die u pleeg te sieren;
 
Mars eigent zelf dan uw laurieren.
 
Wat baat het, of gy geestig weidt,
 
En trots braveert met uwe waarde,
 
Wanneer een krygsstorm werpt ter aarde
 
Uw ingebeelde onsterflykheit?
 
Voor al ziet elk hoe d' eêlste verven
 
Der Schilderkonst om 't hooft besterven.

Dat dezelve noch al zoo arg gedrukt worden door inlandsche Kerkberoerten, en borgertwisten, waar door elk genoeg om die rampen, min om de Konst te denken heeft, is door de bevindinge ontdekt; inzonderheid in zulken tyd toen de Konst meer tot pronk der Kerken, als tot huisciersel gebruikt wierd. Nu leefde hy in dusdanig een tyd waarin de Kloosterlingen bedeest stonden te kyken, als beducht voor een algemeen verval van den Roomschen stoel door de predikinge van Johan Kalvyn, Martyn Luther en anderen meer, waar door de gemoederen van 't gemeen tegens elkander in bitterheid en twist aangroeiden.

In zulk een stand zomtyds arger, zomtyds beter voor de Konst, bleef het nog al eenige agtereenvolgende jaren. Want Willem Goeree teekent in zyn waereltlyke veranderingen aan, op het jaar 1566 uit van Mander, dat de Brugse Schilder, Mar-

[p. 42]origineel

kus Geeraards, die veel zig beholp met teekeningen voor de Glasschilders te maken, geheel buiten eenig werk was, wegens de nieuwe predikatien, die de Konst geheel in stilstant bracht. En hy voegt 'er by: Want de Papery raakte in Nederland zoo zeer aan 't slapbakken, dat zelfs de Schilders en Beelthouwers begonnen van slegte neringe te klagen; waarom ook gemelde Geeraards het etzen van eenige Ezopische Fabelen in 125 kopere platen ter hand nam: welke Fabelprinten naderhand in 't Boek gebracht zyn, dat by ons noch met de naam van Vorstelyke Warande der Dieren bekent, en door den Dichter Joost van den Vondel, met leerzame uitleggingen in Vaarzen opgeheldert is. Dus ver breed genoeg, aangezien de tyd ons gebied, dat wy zynen jaargenoot ten tooneel voeren, welke zoo 't my toeschynt, al vroeg de donkere wolken van twist, die de Konst drukten is ontvlugt, om ze elders adem te doen scheppen.