De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Paulus Moreelse]

PAULUS MOREELSE is geboren tot Utrecht, in 't jaar 1571. Karel van Mander gedenkt aan hem in zyn Boek op pag. 212. B. en zegt: Ook is t'Utrecht een Schilder, geheeten Paulus Moreelze. Deze is byzonder in het Konterfeiten zoo groot als 't leven: heeft 'er tegenwoordig verscheide onder handen, welke meesterlyk behandelt zyn, als van den Graaf en Gravinne van Kuilenborg ten voeten uit, zoo groot als 't leven; de Huisvrouw van Sr. Knotter, welke trooni Konstig gehandelt is, en andere meer. Deze is een leerling van Michiel Mierevelt, en noch redelyk jong. Wy voegen hier by, dat hy toen al in Italien geweest had, en daar door in zyn Konst merkelyk was toegenoomen. Hy had zig te Romen zynde geoeffent in 't schilderen van Historien, maar vond daar toe geen tyd om eenige Historistukken te maken, om dat hy door de menigvuldigheid der Pourtretten, die hem van alle kanten toevloeiden, belemmert of belet werd. Hy was niet alleen een Konstig Schilder in diervoegen, dat hy grooten roem behaalt heeft, maar daar nevens ook Bouwmeester, waarom ook de Katrynepoort, te Utrecht, naar zyn bestek gebout is. Hy is gestorven Raad en Schepen der Stad Utrecht, in het jaar 1638. en zyn lyk werd met een statig gevolg ter aarde bestelt. Dit mogt den vromen JAN van KUIK WOUTERSZOON, Konstig Paneel- en Glasschilder niet gebeu-

[p. 50]origineel

ren, hebbende zyn noodlot gewilt, dat zyn lichaam levendig door de vlamme verteerd wierd.

Het is byna niet om te geloven, dat menschen waar in de rede, liefde, verdraagzaamheid, medelydzaamheid en alle Christelyke deugden en hoedanigheden, volgens het voorbeeld en de leere van hunnen patroon Jesus, onder welkers Baniere zy zig hebben laten inschryven, behoorden plaats te hebben, zig tot zulken vervloekten drift, haat, en dwingelandy hebben konnen uitlaten, zoo niet menige voorbeelden ons hadden doen zien, dat de drift der zulken veel ongetoomder, hun haat vinniger, en hunne meesterschap met dwingelandy verzelt gaat. Trouwens ieder byna weet wat de Latynsche spreuk, Odium Diabolicum, en Odium Theologicum, beduiden wil.

Maar wat zullen wy zeggen? wy zien dat het egter dus gebeurt, tegens het recht der natuur aan, die yder in opzicht van zyn Godsdienst vrye keur laat, zoo dat, wie het zy, niemant bevoegt is over eens anders gemoet te heerschen, en desselfs begrippen, naar zyn oordeel of begrip te dwingen: dewyl yder mensch in dat opzigt op zich zelven staat, en van niemant afhangt dan van zyn Schepper, aan wien hy daar van rekenschap zal moeten geven ten laatsten dagen. Egter, gelyk wy even noch eens zeiden, gebeurt het; en zal het voorbeeld van dezen man hier toe ten bewys konnen dienen.