De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Petrus Paulus Rubens]

In dit zelve jaar 1577. den 128 van Wiedemaand is dat grote zonnelicht, aan den Nederlandsen konst-

[p. 62]origineel

hemel, namentlyk, PETRUS PAULUS RUBBENS, tot Keulen, aan den Ryn, tot grooten luister dier Stad, opgegaan. Want heeft de Duitsche Maro, Joost vanden Vondel, door zyn geboorte de Agrippyner stedekroon een paerel bygezet: zoo heeft zy geen minder luister ontfangen, door het te voorschyn brengen van dezen nieuwen Apelles, aan wiens helder konstvuur veelen hun lamp hebben aangestoken.

Zyn Vader Jan Rubbens, van edle afkomst, en Raadsheer in den Raad van Braband, vond zich gedrongen door een inlandse beroerte, Antwerpen te ruimen, en zyn wyk te nemen, met zyn Vrouw tot Keulen, om dat haar zwanger zynde door schrikken, geen ongeval mocht overkomen, by welke gelegentheid dan onze Petrus Paulus Rubbens aldaar geboren is. Dus verhaalt du Pilé, het welk bevestigt word door Florent. le Comte, dien ik doorgaans veel netter en opmerkender bevind als Kornelis de Bie, die Antwerpen tracht door Rubbens geboorte te vereeren. Doch het zy daar mee zoo 't wil: de Konst vind reden van zig te verheugen over de geboorte van dat Konstlicht, dat over de geheele waerelt schynt.

De onlusten gestilt, trokken zyne ouders van Keulen weder naar Antwerpen. Zyn Vader na verloop van weinig jaren gestorven, werd hy door zyn Moeder en Voogden ter school bestelt om talen te leeren; met voornemen om hem in de Rechtsgeleertheid op te kweken, ten einde hy daar na het aanzienlyk ampt van zyn Vader mocht bekleden. Daar benevens verzorgden zy hem van bekwaame meesters; om hem in zyn buitentyd andere eerlyke Wetenschappen en Konsten te laten leeren, aangezien zyn geest tot alles bekwaam

[p. t.o. 62]origineel



illustratie

[p. 63]origineel

scheen; en ziende hem ook zonderling geneigt tot de teekenkonst, bezorgden zy hem een goed meester, om eenige van zyne buiten uuren in die oeffeninge te besteden. Maar 't was niet lang daarna of zyn drift en geneigtheid groeide tot die Konst zoo sterk aan, dat zyn Moeder en Opzigters geraden vonden, zyn geneigtheid op te volgen, en geheel tot het leeren van die Konst over te geven, en bestelden hem dus by Octavio van Veen, Schilder van den Hertog van Parma, en den Aartshertog Albertus: of wel eerst by Tobias Verhaegt, wiens Beeltenis met die eer, il este premier maistre du fameux P.P. Rubbens, pronkt. Anderen willen dat Adam van Oort zyn eerste onderwyzer in de Konst geweest zy.

Het lust ons niet eene pennetwist, om zyn geboorteplaats, of wie in hem de eerste gronden der Konst gelegt heeft, aan te rechten: maar ik zeg als Basilius Kennet, in de levensbeschryving van den Grieksen Dichter Homerus, by gelegentheid van den twist der *Steden, over zyne geboorte: Ondertusschen hebben de beminnaars van de Dichtkonst zig van die onzekerheid bediend, en gewilt, dat zoo wel hun groote meester, als hun Konst, van een Goddelyken oorspronk behoort te worden geoordeelt. Dit is uit opzicht dat het menschelyke vernuft, waar uit de Konsten geteelt worden, en voortspruiten,

[p. 64]origineel

van een Hemelsche afkomst is, volgens de Bybelspraak in het Boek des Uittogts, daar Mozes wel uitdrukkelyk in den naam van Jehova, van Bezaleél den Zoone Ury, en Ahaliab zeit: Dat hy haar heeft vervult met den geest van wysheid, verstand en kennisse, om allerley konstige werken te maken enz.

Doch dit alles overgeslagen, Rubbens, na dat hy zich van 't onderwys van gemelde Leermeesters bediend had, verkoor eindelyk weer Otto Venius, niet om dat hy een grooter Konstschilder was als de vorige; maar om zyn groot verstant en vernuftige bespiegelingen, tot dat hy eindelyk door zyn uitstekenden vlyt, goed onderricht, en hulp van zyn vernuft zoo ver in de Konst gevordert was, dat zyn werk met dat van zyne onderwyzers om den prys dong.

Kort hier op bekroop hem de reislust, waar op hy zich begaf door Vrankryk naar Italien; alwaar hy eenige jaren zyn verblyf hield; zomtyds schilderde, en voorts zyn tyd doorbragt; om alles dat te Romen, zoo van Beeldhouwery, als Schilderwerk, uitsteekt in schoonheid van omtrek, en behandeling naauwkeurig, en met opmerkinge te bezien.

Hy begaf zich in den zelven tyd na Venetien, tot de School van Titiaan, (toenmaals den voornaamsten hoogvlieger in de Konst) en maakte kennis met een Edelman van den Hertog van Mantua, die hem uit des Hertogs naam verzocht, als Edelman, en Schilder in deszelfs dienst over te gaan: welk verzoek hy inwilligde en aannam, om dat 'er te Mantua uitstekende Schilderyen van de geachtste Konstschilders waren. Hier onthield hy zich een tyd lang, maakte zich by den Hertog

[p. 65]origineel

byzonder bemint, en arbeidde met grooten vlyt aan de Konststukken van Julio Romano.

Van daar vertrok hy weer naar Romen daar hy zig voorts oeffende in alles wat dienstig was tot opbouw van zyn Konst, en kreeg gelegenheid, om in de H. Kruiskerk, als ook in de nieuwe Kerk van St. Pieter, eenige Altaarstukken te schilderen. Gelyk ook voor Albertus, Aardtshertog van Oostenryk.

Thans was het in 't zevende jaar, als hy de tyding kreeg, dat zyn moeder gevaarlyk ziek was, dat hem zonder eenig uitstel van Rome deed verstrekken. Maar zy was al overleden, eer hy te Antwerpen kwam.

Opmerkelyk is, 't geen verhaalt word, namentlyk, dat hy weinig afteekeningen of modellen van Romen met zig bracht, en als 'er hem, (nu t'huis gekomen) naar gevraagt wierd, om ze te zien, tot antwoord gaf: dat die in 't Kabinet van zyn geheugen waren opgesloten. Het bleek ook wel aan de kragtige wyze van schilderen, die hy zig had gewent, dat hy de beruchte Konstwerken van Titiaan, Paulo Veronees, en Tintoret gezien had. Doch dit moet ik tusschen beide zeggen: dat de Faam, den roem dien hy te Rome en Venetien, door zyn schilderen behaald hadde, reeds voor zyne overkomst al had over gekraaid, waar door den een voor, den ander na, begeerte hadden, om van zyn penceelkonst wat te hebben: en hy overzulks gelegentheid vond om veel gelts daar voor te konnen bedingen: 't geen oorzaak is geweest, dat veelen hem ook met een scheef gezicht aanzagen. Onder deze was Abraham Janszen, die hem tot een schilderstryd om den prys uitdaagde, willende 't zelve aan 't oordeel van alle Konstken-

[p. 66]origineel

ners stellen, 't geen hy geestig afsloeg, met dit antwoord: Dat hy zulks al lang gedaan hadde, en het zelve aan 't oordeel van heel de waerelt had gestelt, en dat hy het op gelyke wyze ook konde doen.

Het verstand dat hy bezat, en de bedrevenheid in de wyze van de waerelt te behandelen, vond middel om zyn benyders tot zyn vrinden te maken. Hy volgde namelyk de les van Cleobulus: doe uwe vrienden wel, op dat zy nog meer uwe vrienden worden, en uwe vyanden, op dat gy hen tot vrienden maakt. Daar benevens was hy bescheiden, beleeft en minzaam, tegen ieder een; een hoedanigheid, die hem by grooten en kleenen bemind maakte, inzonderheid ook tegen Konstenaren, waar van wy een opmerkenswaardig staal zullen aanwyzen.

Zyn Moeder, als gezegt is, was gestorven, 't geen hem beweegde te trouwen, dat eerlang geschiedde met Catarina Brintes, met welke hy vier jaren in der minne leefde, tot dat zy stierf, 't geen hem zoo aan 't harte ging, dat hy om de droefheid wat te verzetten, goed vond een reis naar Holland te doen, om in alle de steden de Konstscholen, Konstgenootschappen, en Konstoeffenaars te bezoeken, waar aan de Beschryving van Gouda ook gedenkt, gylykze ook in 't byzonder verhaast, dat hy Jakob Reugers Blok aan zyn huis ging bezoeken, om zyn Konst te zien; waar van wy breeder in des zelfs levensbeschryving gemelt hebben. Sandrart, die hem in die tyd heeft leeren kennen, en zederd de vriendschap met hem onderhouden heeft, getuigt: Dat hy t'Utrecht gekomen, 't eerst hy G. Honthorst kwam, deszelfs Konstwerk zag, en ook met een, een stuk van hem, dat noch maar begonnen was, verbeeldende Diogenes, daar by met een Lantaren op helderen dag, te Athenen

[p. 67]origineel

op de markt naar menschen zoekt, kocht, en den aanleg van het stuk byzonder prees. Dat gemelde Sandrart zyn dienst aan Rubbens aanbood, om terwyl zyn meester Honthorst onpasselyk was, hem vorders te geleiden, eerst by A. Bloemaart, daar na by Kornelis Poelenburg, voor wiens Konst hy veel agting betoonde, en verscheide stukjes aanbesteedde, gelyk hy zoo by ieder Konstschilder in't byzonder deed. Van daar vertrok hy naar Amsterdam, daar Sandrart hem verzelde, alwaar hy veertien dagen doorbragt, om alles te bezien.

Hier benevens had hy ook een zonderlinge zucht tot alle soorten van wetenschappen en konsten, zelfs tot de taalgeleertheid. Hy zelf was geoeffent in verscheiden talen: daar by uit eigen aart welsprekent, en zyne uiterlyke wezenstrekken vertoonden de inwendige gaven van zyne eedle ziel, overzulks hy van wegen zyne bekwaamheden, van Philips den IV, Koning van Spanjen, voor wien hy veele roemwaardige werken gemaakt heeft, om eenige byzondere verrigtingen wierd gezonden aan het Brittannische Hof: en du Pilé voegt 'er by, dat dit door de Infante, die hem gunst bewyzen wilde, zoo by Philips bekuipt was; dat hy, in de waardigheid als Ambassadeur naar 't Engelsche Hof gezonden wierd. Hy verhaald vorder hoe Karel de eerste Koning van Engeland, hem beleeft ontfing, en hem in tegenwoordigheid van 't Parlement een present deed van een Degen en Cordon, bezet met diamanten, waardig twaalf duizent Ryksdaalders. Waar op hy weder naar Spanjen vertrok, om rekenschap te geven van zyne verrigtinge aan zyn meester, van wien hy groote geschenken kreeg. Dog anderen gelooven dat dit wel ten meerendeele geschiedde, om Rubbens daar door gelegenheid te geven van den

[p. 68]origineel

Koning te spreeken, met wien hy belangen had, van wegen het beschilderen van de zaal te Withal, 't geen wel bedongen was, maar niet betaalt; welke stukken hem, wyl hy tot Londen was, van Antwerpen, daar hy dezelve geschilderd had, werden toegezonden.

Karel Stuart, die men gelooft dat dien toeleg begreep, bewees hem ongemeene beleeftheid, en vrientschap.

My, in den jare 1714 daar zynde, dreef een zucht, zoo om het Konstwerk, als de Zaal, waar uit Koning Karel de slachtbyl te gemoet trad, te zien: welke zedert den tyd van die Marteldood, niet meer tot een gerechtsbank, maar om 'er vreemde Potentaten en Ambassadeurs op te onthalen, waarom nu als noch Bankethous genoemt word, gebruikt werd. Thans worden 'er om de schaarsheid van Kerken, die men te Londen heeft, alle naarmiddagen de Common preers, de gemeene gebeden, in voorgeleezen, en des Zondags in gepredikt.

By dit, mochten wy ook wel gedachtig wezen, als een zyner voornaamste werken, de galery van Luxemburg, een werk dat hem zoo veel roem heeft bygebracht, en nu noch, vermits het in zyn geheel door de beste Graveerders, als G. Edelink, G. Duchange, Kornelis Vermeulen, B. Picard, A. Loir, en B. en J. Audran, in koper gesneden is, de drukken daar van door alle Landen en Koninkryken verspreit, de waerelt doen zien, wat hy door de Konst vermocht. Overzulks zoude het te vergeefs zyn dat wy breedwydig zynen lof melden. Al die Konsttafereelen, tot Altaarstukken of ergens anders toe gebruikt; ook een menigte Pourtretten, voor Vorsten en Princen geschildert, melden zelf den lof van hunnen maker.

[p. 69]origineel

Myn pen had byna zeker voorval, dat Rubbens in Spanjen is ontmoet, voorby gestapt, en dus den lezer dit volgende verhaal ontrooft, 't geen Voeglyk diend gemeld, eer wy hem weder in zyn Vaderland aanschouwen. Jan Duc de Bragance, die naderhand Koning van Portugal werd, een beminnaar van de schilderkonst, schreef naar Madrid aan een zyner vrienden, ten einde hy aan Rubbens wilde verzoeken, den Hertog te komen bezoeken, in zyn woonplaats Villa-Vizoza. Rubbens bewilligde dit verzoek, en begaf zig, verzelt met een groote sleep, op weg. De Hertog verwittigt, dat Rubbens, die hy misschien maar alleen verwagtte, met zulken grootsen toestel, en sleep verzelt, Vizoza reeds naderde, zond hem in aller yl een Edelman te paard tegen, om hem te zeggen, dat den Hertog om gewigtige reden elders vertrokken was, en hem niet had konnen afwagten; maar tot vergoeding van zyne kosten en verlet, liet aanbieden 50 pistolen. Maar Rubbens weigerde de zelve aan te nemen, en zeide: dat het veel te gering was, dewyl hy voorgenomen hadde 14 dagen zyn verblyf te Vizoza te nemen, en duizent pistolen daar te verteeren.

Na dat Rubbens nu noch een wyl in Spanjen geweest had, vertrok hy naar A ntwerpen, daar hy zoo veele heerelyke konstwerken gemaakt heeft, datmen 'er zig over moet verwonderen: ja men zoude het geen menschen konnen doen geloven, ten zy men dezelve daar by met een bericht geeft, dat hy veele Leerlingen in zyn tyd heeft aangekweekt, die hy tot schilderen van kleederen, gronden, verschieten, gebouwen en andere sieraden, ook wel tot het aanleggen der naakten, gebruikte, waar door hy zig, en inzonderheid zynen leerlingen grooten dienst

[p. 70]origineel

dede, gelyk 'er door het middel van hem veele brave meesters in de Konst zyn voortgesproten, die zyne grootsheid van ordineren en de kracht van zyn schilderen van hem afgezien, en zig daar van in hunne eigen werken bedient hebben; daar zy by het leven van hunnen meester niet te veel gelegentheid toe hadden, immers tot groote en voordeelige werken niet, dewyl hy de vermogenste luiden aan zyn snoer had, en het dus meest al in zyne handen viel, of ongezocht toevloeide. Dit is aan verscheiden stalen van brave meesters, die zyne Leerlingen geweest waren, inzonderheid Antony van Dyk, gebleeken; die als hy al wat voor de Kloosterbroeders gemaakt hadde, van hun dusdanig beknevelt wierd, dat het schildervuur daar door meer gedooft, als aan gestookt wierd. 't Gebeurde, om dit met een voorbeeld te bevestigen, dat Ant. van Dyk eens een Kerkstuk schilderde, 't geen tot een Altaartafereel zoude dienen, in die tyd, dat hy al van zyn Meester afgescheiden was, daar de gekapte Broeders zoo veel op wisten te vitten, dat het te duchten stond, of hy aan het bedongen geld de vingers wel blaau zou tellen; want zy hielden zig, als of zy 't hem aan de hand wilden laten houden, 't geen hem smartte, inzonderheid wyl hy in dien tyd, als het spreekwoord zegt, overladen was met geld, als de Kikvorschen met veeren. Overzulks hy over 't onrecht hem aangedaan als mymerende, zig begaf buiten de stad, en daar in eenzaamheid by zig zelf alleen overleide, wat middelen best diende by de hand genomen, om in dat geval zig best te redden. 't Gebeurde ter dezer tyd dat Rubbens zig met zyn Koets, tot uitspanninge zyner geesten, liet door de Velden omryden, daar hy van Dyk ontmoet-

[p. 71]origineel

te, aan wiens wezen hy met den eersten opslag wel zien konde, dat 'er iets aan scheelden. Dus vraagde hy hem naar de reden van zyn eenzaam wandelen, en droefgeestigheid, 't geen hy zuiver aan zyn gewezen meester opbiegtte, die hem zyn zwaarmoedigheid verlichtte, met tegens hem te zeggen: dat hy des anderendaags aan zyn huis zoude komen, om het werk te zien, en middel bedenken, om hem daar in dienst te doen. Dit geschiedde; want hy kwam des anderendaags by van Dyk, zag het werk, betaalde hem in gereed geld de fom, welke hy daar voor bedongen hadde, en liet het naar zyn huis dragen. De Kloostervoogden daar niet weinig in verlegen, wyl zy nu wel begrypen konden, dat Rubbens, hunne vrekagtige behandelinge ontdekt had, schaamden zig voor hem, die in groot aanzien en agting was; en waren bly dat zy 't uit zyne handen voor den zelven prys weder kregen.

't Zoude een groote ondankbaarheid schynen te wezen, zoo ik zeyde dat van Dyk met Rubbens naderhand in geen min en vriendschap leefde en omging, zoo ik de geheime reden daar van niet ontdekte, 't geen ik op zyn regte plaats doen zal.

Rubbens dan, gelyk ik meermalen gezegt heb, was, zoo ten aanzien van zyn geboorte, gedrag, eerentytelen en konst, by alle de grooten geacht en gezien. Hier kwam noch by, dat hy tot zyn tweede vrouw getrouwd had Helena Forman, die een Helena in schoonheid was. Een schoon voordeel voor een schilder om de koste van 't model te sparen. Zy bezat daar by veel verstand en veel geld, hoedanigheden daar men'er drie in 't byzonder mee zoude konnenuitrusten, en had daar by vermogende vrienden, die

[p. 72]origineel

hem dienst konden doen. Overzulks vloeiden alle de voordeelen van 't penceel voor 't grootste deel hem gemakkelyk en van zelf toe. Daar en boven had hy een zonderlinge bekwaamheid om alle grooten te vleyen, en dus toe zyn voordeel in hun gunst te dringen. Zulks dat men de spreuk van J. de Bruin, in zyn Banket werk, op hem wel mag toepassen: Dat gaauwe verstanden van alle hout weten pylen te maken, om hun oogwit te beschieten.

Hy bouwde voor zig een huis binnen Antwerpen, dat hem wel zestig duizent gulden kostte, en daar in een zaal op de wyze van de Rotonde te Romen, daar het licht door eene opening in 't dak, van boven in neerstraalde, Deze zaal behong hy met zyne opgegaarde Italiaansche, Fransche en Nederlandsche Konststukken, en daar onder ook sommige van zyn eigen hand, welke Konstzaal alom berucht was, zoo dat de Hertog van Bukkingham die zyn paleis teffens met Konst wilde opsieren, order gaf, aan den Heer Michiel le Blon, lief hebber en goed kenner van Konst, om voor 60000 gulden aan Konst daar uit voor hem te koopen, 't welk ook geschiedde. Daar Rubbens zekerlyk goed gevoelen van zal gehad hebben, daar nu zyn mes, als het spreekwoord zegt, aan weerzyde snee, en hy den weg om geld te winnen op alle wyzen heeft geweten. Dus stapelde hy eenen onnoemelyken schat op; en 't moest heel de waerelt kenlyk worden.

Het was niet lang na dien uitkoop, of een doorslepen knaap maakte aanslag op dien vetten buit, doch vond zig in zyn voornemen schandig bedrogen. Het was de berugte Alchemist Mr. Brendel van Londen. Deze klampte Rubbens met veel hoopgevende redenvoeringen, en verzekeringen van

[p. 73]origineel

de wisse gevolgen van zyn Goudmakery konst aan boord; biedende hem zyn dienst tot de bewerkinge van 't zelve, voor de halve winst, zoo Rubbens een Laboratorium wilde doen opslaan, en de noodwendigheden, die daar toe vereist werden, bezorgen . Maar Rubbens, naar dat hy hem met veel gedult had hooren uitspreken, antwoorden hem beleeft, verstandig en geestig aldus: Myn Heer ik bedank u voor die aanbieding. Gy komt juist 20 jaren te laat; want zedert dien tyd, heb ik door 't penceel den regten Lapis Philosophorum gevonden. En wees hem dus van de hand af.

Nu is 'er byna niets van zekerder gevolg, als dat, wanneer yemant door zyne byzondere bekwaamheden, die hy boven anderen in konst en wetenschappen heeft, en wanneer hy daar door tot den top van eere opklimt, zoodanig dat de Faam het gerucht daar van alom verspreid; zulks straks veroorzaakt in anderen eene aanritzelihge tot een drift, welke na de geaartheid des gemoeds, tweederhande uitwerkingen heeft, een ten kwade, dat men afgonst noemt; om dat zy eens anders welwezen benyd, en zynen luister niet dulden kan, en een ten goede, dat wy nay ver noemen, om dat die niet misgunt eens anders welwezen, maar zich zelven ook wenst in dien staat te mogen zien; 't geen niet te laken is; en des noch te min, als dit hun diend tot een prikkel en spoor, om dien zelven weg in te slaan, waar door men tot die eer en dat geluk word verheven, dat men boven anderen uitsteekt.

Waarlyk de bevinding heeft ons doen zien, dat de Konst in geen eeuwen zoo gebloeit heeft, als in dien tyd van Pet. Paul. Rubbens, aan wiens fakkellicht veelen hun kaars hebben aangestoken,

[p. 74]origineel

en wie weet wat dienst hy al meer aan de Konst zoude gedaan hebben, zoo zyne levenszon in volle luister niet waar benevelt geworden, door een onvermydelyke duistere wolk van 't nootlot; het welk ons leert, dat

 
Al wat geboren is, eens moet het leven derven.

Een jaar twee of drie voor zyn dood, kreeg hy een beving, op de wyze van een beroertheid, in zyn handen, waarom hy het groot werk moest aflaten. Doch hy schilderde egter kleine stukjes, meest Landschappen, op den Ezel, daar hy de maalstok meer tot zyn gebruik konde nemen.

Hy is overleden te Antwerpen, op den 30 van Bloeimaand, in het jaar 1640. en begraven met een aanzienlyke en pragtige Lykstatie; want voor het Lyk ging 'er een, dragende een swart Fluwele kussen, en daar op een vergulde kroon, en agter het Lyk volgde een grooten sleep van de aanzienelykste, zoo Geestelyke, als Waereldlyke Heeren, en Konstenaren. Het Lyk werd geleid in St. Jans Kerk, daar zyn Grafsteê noch te zien is.

Hy liet een Dochter na, en een Zoon, sommige zeggen twee Zoonen uit zyn laatste huwelyk, de oudste Albertus genaamt, is Secretaris, of Geheimschryver der Staten van Vlaanderen geweest.

Wy hebben zyn waare beeltenis gevolgt naar de beste afschetsing boven aangeplaatst, in de Plaat D, op dat de Konstschilders zyn prysselyk gedrag, omtrent de jonge Konstoeffenaars, en yver tot den opbouwvan de Konst, daar by gedenken zouden, en zoo veel heuglyker zig ten spiegel voorstellen.

Beleeft zyn, en geneigt tot elks dienst, doet een man geacht wezen, en zet zyn Konst luister by.

[p. 75]origineel

't Kan niet wel wezen dat alle Konstoeffenaars elkander te gelyk minnen: doch nooit moet verschil tusschen persoonen oorzaak wezen, tot veragting van wederzydse Konstwerken. Rafaël d'Urbyn, en Michael Angelo de Bonarote, waren wel de beste vrienden niet, dog prezen altyd elkanders werk. Rafaël was gemeenzaam in zyn omgang, beleeft, vriendhouwende, en geneigt om elk dienst te doen, en die welke van een leerzamen aart waren, openhartig van de Konst te onderrichten: waarom hy meest altyd, wanneer hy om een wandeling ging, met een hoop Schilders en Leerlingen verzelt was. 't Gebeurde dat Michael Angelo hem dus op straat ontmoetende, in 't voorby gaan zeide: ecco il Barigello con tutta la sua sbirreria, dat is: Zie den Schout verzelt met zyn bende of dienaars. Daar op Rafaël hem toeschoot: e' tu caminate solo come la Boja, dat is, en gy wandelt alleen gelyk de Beul.

Michael Angelo was van een stuurzer aart, en had voor gewoonte te zeggen wat hy dacht, waar om hy weinig vrienden had, en meest alleen ging, zoo dat zyne Konst alleen de oorzaak was, dat hy geagt wierd; want het gebeurde eens, dat de Paus hem zyn Konst- en Kabinetschatten (een eer die zelden iemand gebeurt) liet zien. De Paus, om dat Michael Angelo zich niet eens, als wel anderen t'elkens, daar over verwonderde, zeide: Wy konnen niet zeggen, als wel eer Petrus deed: Goud nog Zilver hebben wy niet. Dat 's waar, antwoordde Michael Angelo; Dog daarom kan uw Heiligheid ook niet zeggen: staat op en wandeld.

Vryborstig spreken heeft zyn tyd. Waarheid word geprezen, zegt Juvenaal, maar moet kouw lyden. Altyd de waarheid te spreeken, is altyd vyanden ma-

[p. 76]origineel

ken: en daar is geen gevaarlyker woestyn, als zonder vrienden te leven. Te leven zonder vrienden, zeit het Spaansche spreekwoord, is sterven zonder getuigen.