De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Francois Snyers]

Hier nevens verschynd ten Toneel de Konstschilder FRANCOIS SNYERS, geboren te Antwerpen, in 't jaar 1579. Hy heeft de beginselen van zyn Konst geleerd by Henrik van Balen. Doch zyne geneigtheid is gevallen, eerst op 't schilderen van Fruit, daar na op alle soort van viervoetige Gedierten, die hy wonderlyk, elk in zyn soort, zoo natuurlyk schilderde, dat men in zyn tyd, niemand vond die hem daar in gelyk was. Inzonderheid maakte hy zyn naam berucht door het zamenschikken der Dieren tot de Jagt; een verkiezing, welke inzonderheid diende om de wanden der Vorstelyke Zalen, en Galeryen op te pronken. Gelyk ook de Koning van Spanjen, en de Aartshertog Leopoldus Wilhelmus, zig in hunne Paleizen daar van bedient hebben. Hy leende dikwerf de hand aan Rubbens, en die weder aan hem, en 't zyn wel de geagtste stukken, daar men 't penceel van die twee groote meesters in ziet. Want gelyk de een op het vertonen van kragtige werkingen en driften in Beelden was afgericht, zo scheen des anderens penceel als gemaakt om Dieren in hun grootste vuur en drift af te malen; ja 't is verwonderlyk, hoe hy in zoo menigvuldige veranderingen, draajingen en buitelingen, de vaste deelen, rekking en buiging der spieren in de Dieren heeft waargenomen. Zietmen de Jagthonden draven naar 't Wildt, zy schynen 't oog voorby te gieren. Grypenzy 't met hun gespitste tanden aan, 't vuur straalt hun ten oogen uit: en die verminkt of gebeten vertoond worden, drukken de pynlykheid

[p. t.o. 84]origineel



illustratie

[p. 85]origineel

van hun ontfangene wonden, door een gekromden rug, gewronge buiging en wyt opgesparde muilen, zoo natuurlyk uit, dat men 'er deernis meê hebben zoude. Wat hoeft'er meer gezeit, daar het Konstwerk zelf spreekt? zyn Beeltenis staat boven aan in de Plaat E.