De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[David Bailii]

In dit zelve jaar is binnen de Stad Leiden geboren DAVID BAILII, Zoon van Pieter Bailii, die in zyn tyd een Konstig Schilder is geweest. Zyn Vader ziende in hem van der jeugt aan een natuurlyke drift tot de Konst doorsteken, liet hem eenigen tyd by zig zelven zoo wat teekenen naar prenten. By toeval gekomen op den winkel van Jaques de Geyn, kreeg hy genegenheid om het graafyzer te leeren behandelen, 't geen hy oeffende een jaar lang, en daar in wel toenam. Dog hebbende meerder zugt tot de Schilderkonst, besteeden hem zyn Vader by Adriaan Verburg om in die Konst onderwezen te worden, alhoewel hy zig in dien tyd geneerde met de geneeskonst te oeffenen, en bleef daar eenigen tyd, tot hy in den jare 1601 naar Amsterdam vertrok om de Konst voort te zetten onder 't onderwys van Kornelis vander Voort, toen geagt den besten Pourtret Schilder, waar by hy omtrent zes jaren bleef. En alzoo dezelve veele konstige Schilderyen van andere meesters hadde, vond hy gelegenheid om 'er nu en dan een na te schilderen, onder deeze was een Tempel van Steenwyk, dien hy zoo konstig naargebootst had, dat de gemelde Steenwyk bezwaarlyk

[p. 119]origineel

het een stuk van het andere konde onderkennen.

Van Amsterdam weder tot Leiden gekomen, maalde hem de reislust in 't hoofd. Dus vertrok hy in den Wintertyd 1608, naar Hamborg; daar van daan naar Duitschland, tot Frankfoort, Noremborg, Augsborg, en verscheide andere Steden; door Tirol naar Venetien, en van daar tot Romen, om de behandelinge der Italiaansche Konstschilders, waar 't mogelyk, af te zien, en een lange wyl verblyf te nemen; maar zeker toeval deed hem, als hy daar niet lang geweest was, van voornemen veranderen en weder naar Venetien keeren; daar hy maar vyf maanden bleef, en van daar genoegzaam weder langs den zelven weg dien hy van te vooren gereist had, naar zyn Vaderland keerde; dit was in 't jaar 1610. Door Duitschland naar beneden komende heeft hy verscheiden Hoven aangedaan, daar hy een staal van zyn Konst tot gedagtenis liet, inzonderheid aan 't Hof van Brunswyk, daar hem de Hertog een jaarlykse wedde wilde toeleggen, zoo hy zig voor eenige jaren tot zyn dienst wilde verbinden, 't welk hy afsloeg. Eindelyk wars van 't reizen, is hy in den jare 1613 weder tot Leiden gekomen, om, als hy uitgerust zoude hebben, zyn Konst in stilheid te oeffenen.

De menschen (zeit het spreekwoord) leven by veranderinge: dit is aan onzen David Bailii, ook gebleken, want in den jare 1623, verwisselde hy zyn kloek penceel, voor de fyn versnede Pen; en teekend veele Pourtretten uitvoerig, met inkt, (die hy dan met het penceel voort opmaakte) op parkement, daar de lief hebbers van de Konst groot genoegen in hadden.

Simon van Leuwen, meld (in zyn Korte beschryv-

[p. 120]origineel

van Leiden) om dezen tyd ook van eenen Jan Arentsz. die een goed Landschapschilder was.

Friesland heeft in deezen vroegen tyd meê flikkeringen van een verborgen konstvuur doen uitlichten in zyne steedelingen.