De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johan Torrentius]

Op 't laatst van de vyftienhonderste eeuw is'er geweest een JOHAN TORRENTIUS geboren tot Amsterdam in 't jaar 1589. Deze schilderde konstige en uitvoerige kleine naakten; maar de werkinge dier beeltjes, en 't geen dezelve verrigten, was niet alleen schaamagtig om aan te zien, maar geil, onkuis, onbeschoft, of ergerlyk, verleidende, en aanlokkende tot vuile bedryven: zoo dat hem zulks te maken en te verkoopen striktelyk en met bedreigingen verboden wierd. Maar wanneer hy daar niet naar wilde luisteren of zulks gehoorzamen; denkende met 't ontkennen het goet te maken, werd hy door last van 't gerecht tot Amsterdam in hegtenis gebragt: en daar over verhoort weigerde hy te bekennen, dat hy de maker was van 't gene waar mede hy

[p. 138]origineel

beschuldigt wierd, schoon de bewyzen daar toe maar al te klaar waren. Des werd hy op de pynbank gebragt. Sandrart in den Latynschen druk p. 299. zeit: Dat de Raad of het Gerecht van Haerlem hem tot de pynbank bragt. Maar hy bleef hardnekkig zonder het zelve te willen belyden. Dat nu zyn kop beter gehard was tegens de beschuldiging, dan zyn lichaam om de pynbank te wederstaan, bleek; want hy stierf onder 't pynigen. En het penceelwerk datmen van hem vond, werd door Beuls handen verbrand, in 't jaar 1640. De omstandigheid van die zaak geeft duidelyk genoeg te kennen dat zyn tafereelen hebben gestrekt tot aanritselinge; niet zoo zeer tot de Cyprische, als wel de Sodomitische wanbedryven. Zyn beeltenis 1628, wanneer hy 39 jaren oud was in koper gebragt, vertoonen wy in de Plaat G. agter Daniel Segers.

'T lust ons hier (by gelegentheid van dit vuile voorwerp) de schoone les van F. Junius in zyn 3 Boek van de Schilderkonst, in te lassen, daar hy van zulke schandelyke tafereelen zeit: Datze de wulpse begeerlykheid van de onbezinde aanschouwers, door de ontuchtige vertoonselen gaande maken: Dus behoord een opregt en eerlyk Konstenaar agt te geven, dat hy zig niet om 't voordeel, of ydel lofgetuit van een ligtvaardigen hoop, tot het verbeelden van dusdanige dingen laat vervoeren; aangezien verscheiden groote Meesters d' aanzienlykheid van een eerlyken naam kwyt geraakt zyn, om dat zy den roem van ik en weet niet wat voor een klugtzinnige geestigheid al te hittiglyk najaagden.

Hier past het spreek woord: Men behoeft geen luizen in de pels te zetten, ze komen 'er genoeg van zelf in.

Nu zyn'er voorbeelden by menigten die aan-

[p. 139]origineel

toonen hoe door geile vertoonselen de snoeplust word ontsteken. Petronius Arbiter verhaald van een Jongeling die ziende op een tafereel de schaking van Ganimedes door Jupiter, en de onbeschaamde Nais, die den schoonen Hylas tot oneer aantokkelt, in deze woorden uitbrak. Doen ook de Goden zulks? en raakt daar op aan 't hollen.

By Torentius verschaft ons Chevea een even gelyk voorbeeld in een tafereel, waar in Jupiter onder schyn van eenen gouden regen Danoë verschalkt. Hierom zeide Achilles Tatius: Lib. I. de Clitophontis en Leucippes Amoribus. Al is 't dat zig een Mensch nog zoo ernstig d' onthoudinge voorsteld, nogtans word hy door kwade voorbeelden ligtelyk tot navolginge verlokt; voornamentlyk als het voorbeelden zyn der gener, van welke hy een goed gevoelen heeft: Want de schaamte van de misdaat word dan door d' aanzienlykheid van zulke voorgangers in een vrymoedige stoutheid verandert. Dus zeide ook Donatus van zommige Dichters: hoe groote schade zy doen, wanneer ze den genen ondeugende voorbeelden voorstellen, die van zig zelven genoegzaam tot allerlei gebreken genegen zyn. En wy hebben dit stekelig vaersje op onzen Schilder gepast:

 
De naam van Herostraat' zal eeuwen overleven;
 
Om 't schendig stuk 't geen hy t' Ephezen heeft bedreven:
 
Als hy de Tempel van Diana stak in brand.
 
Johan Torrentius, stak door 't penceel de vonken
 
Van ontucht, listelyk de jeugt in merg en schonken.
 
Zyn naam blyft na zyn dood wel levend; maar met schand.

Dat de uitwerkingen van 's menschen vernuft buiten toeëigeninge niet anders als onverschillig zyn, en de toeëigeningen, en oogmerken derhal-

[p. 140]origineel

ven alleen goed of kwaad, pryslyk of veragtelyk zyn, is een waarheid, die niet te wederspreken is. Dienvolgens is de spreekwyze, hoe grooter Schilder, hoe wilder, en het geen men daar mede wil te kennen geven, te wraken. Ten minsten zal het een bewys geven dat het van geen nootzakelyk gevolg is, als brave mannen, zelfs zulke die in een Kerkelyk verband waren, niet hebben geschroomt de Schilderkonst te hanteren. Gelyk men dan oudtyts heeft gezien dat de Kardinaal Franciscus van Verone, die een heilig leven leidde, en een vyand van alle kwaad was, en daarom nooit eenige voorwerpen van ligtvaardigheid, (schoon hy daar toe dikwils van Prinsen en Waereldsche Heeren verzogt wierd) heeft willen verbeelden, het penceel hanteerde, en een goed Schilder was. Als ook de eerwaardige Heer Don Bartholomeo, Abt van Sint Clemens van Aresso. En in later tyd onze