De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Daniel Zegers]

DANIEL ZEGERS, een Jesuit, geboren te Antwerpen in 't jaar 1590. Deze wist allerhande Bloemen, zoo los, zoo levendig, zoo klaar, zuiver en dun te behandelen, dat het verwonderlyk was. Ik heb in Braband zynde in de Kerk der Paters Jesuiten een gantsche Kapel behangen met zyn Schilderyen gezien, waar onder kransen of bloemfestoenen waren, zoo verstandig naar de Konst met troepen, naar vereys der koleuren by een geschikt, dat ik tegens het gezelschap dat ik by my had, zeide: Niet te gelooven dat Glicera byzit van Pausanies by de Grieksche Schryvers zoo berugt wegens bloemen te schakeren, dezelve welstandiger heeft konnen by een schikken. Daar was ook in zyn tyd een Pater Johannes van der Borght van d'orde der Minnebroeders, die 't Plaatsnyden

[p. 141]origineel

hateerde. Dog van de Graveerkonst wil ik niet handelen, om dat die Roomsche Juffrouw Claudia Stella den roem van alle (weinige in vergelykingen van 't groot getal uitgezondert) weg draagt. Want zoo men een lyst van die alle opstelde (dat een byna onnoemlyk getal uitmaken zoude) 'k maak my sterk te konnen aantoonen dat'er van de honderd niet een tegens haar in konstige behandelinge zoude konnen ophalen. Gelyk zulks ten proef van myn gezegde te zien is aan die print welke zy naar het berugte stuk van Nicolaas Pouzyn; verbeeldende Moses, door zyn stafslag 't water uit den Rotsteen doende voortkomen, om het byna van dorst versmagte volk te laven, heeft gegraveert.

Zegers was een Leerling van Jan Breugel bygenaamt den Fluweelen, die in zyn vroegen tyd mede een Bloemschilder geweest is. En gelyk de Bloemen, het ciersel der Lente, om hare schoone gestalte, en frissen geur van elk begeert worden, zoo werden die van Zegers, om dat men die in den Herfst van de vyftiende Eeuw zoo schoon zag bloeijen van alle Bloemkonst minnenden graag ontfangen, zoo by gemeenen als grooten, inzonderheid den Aartshertog Leopoldus: en den Prins van Oranje Frederik Hendrik, die hem voor twee van zyne stukken een groote vereering gaf. Zyn Beeltenis, door Jan Lievens geschildert, zietmen in print, die wy gevolgt hebben in onze Plaat G.

De Groote Dichter J.v. Vondel, verlokt door 't zien van Dan. Zegers Bloemstukken, maakte daar op dit volgende vaersje.

[p. 142]origineel
 
De geest van Zegers is een By,
 
Waar op de Nederlanders roemen.
 
Zy zuigt haar honinglekkerny
 
En geur uit allerhande bloemen.
 
Een By kwam op zyn schildery
 
En geur, en kleuren aangevlogen,
 
En riep, Natuur vergeef het my:
 
Dat bloempaneel heeft my bedrogen.

Deze heeft zyn rol gespeelt, en is vertrokken. Wy willen, eer een ander opkomt, de Schoutoneelgordyn maar even laten vallen; om het geen in de voorgaande tusschenreden open bleef, te vullen.

Laatst werd onze Redenvoering, in haar vollen loop (even als het snarenspel door 't opligten van de Toneel gordyn) gestuit, thans zullen wy dien toon weêr opvatten, en vervolgen.

Wy spraken van de Offergereedschappen die zig ontrent der Heidenen Godsdienst deden zien, waar aan rest te spreken van de konstig gewrogte Dryvoeten, of Dryvoetschragen, daar d'ouden zoo veel meê op hadden, de Dryvoetschragen waren tot verscheiden gebruik geschikt, en niet alleen van koper en zilver gemaakt, maar ook met allerhande konstig beeld- en loofwerk geciert, die zy aan byzondere goden als aangename geschenken toe eigenden.

Onder verscheide die Herodotus te Thebe in Beotie gezien heeft, gedenkt hy van een pragtigen Dryvoet in den Ismenisen Tempel van Apollo; die met dit opschrift in Kardinische letteren pronkt:

 
De Vorst Laodames heeft dezen Dryvoet vol
 
Van Konstwerk toegewyd den grooten God Apol.
[p. 143]origineel

Verscheiden afbeeldingen der oudtydze Dryvoeten of Dryvoetschragen, ziet men ter gedagtenis van der zelver gebruik op de Roomsche penningen, waar van wy de juiste afbeeldingen in plaat, hier nevens vertoonen, als 1 die van Vitellius met het byschrift: Pont. Max. tr. pot. Augur. Opperpriester van Wykmeesterlyke magt, Wichelaar.



illustratie

Dus ook op een penning van Antoninus, die den Eernaam van Augur of Vogelwichelaar onder zyne voorname Eertytelen aannam. Niet ongelyk aan dezen is de penning van M. Lepidus; met dit onderscheid nogtans dat zig boven uit den Dryvoetstal een Slang vertoond, door welke (zeit Lucianus) Apollo gewoon was zyn antwoorden te geven aan d'Orakelvragers. Zie Fig. 3.

De groote agting die de Heidenen voor dusdanige Dryvoeten hadden, heeft geen andere reden: als, om dat dezelve een zweemsel hadden naar den Delfisen Dryvoetstal, waar uit het blinde Volk geloofde dat Apollo aan de Orakelvragers antwoorden gaf. Het blinde Volk zeggen wy; want ons ontbreken geen stalen om te bewyzen, dat mannen van uitstekent vernuft, en naauwe opmerking onder de Heidenen dusdanige bedriegeryen bespot hebben.

[p. 144]origineel

Kato plag te zeggen: Dat hy verwondert was, dat een Wichelaar niet lachte, zoo dikwils hy een Wichelaar tegen kwam; om dat zy onder schyn van Godsdienst het gemeene volk by de neus omleiden.

Velen hebben zig afgeslooft om den Godsdienst der Heidenen in zyn binnenste te beschouwen; om de ydelheid deszelfs, en de bedrogplegingen der Wichelaren en Tempelpapen t'ontdekken en aan 't licht te brengen. Maar wy beschouwen het zelve maar alleen in den buitensten omtrek, en doelen op de zienlyke pragtige vercierselen; (welker glans het gemeen in d'oogen schitterende te meerder agting voor dien Godsdienst deed hebben) om onze Konstgenoten in 't gemeen, en de yverige Schilderjeugt in 't byzonder dienst te doen; wanneer wy hun den weg wyzen tot de Oudheidkunde, 't welk nootwendig is voor die zig tot het verbeelden der Historien begeven, en niet graag tegens het gewoon gebruik dier aeloude volken mistasten. En op dat de leergierige jeugt zig verzekerd mogt houden dat de kundigheid dier dingen den Konstschilders dienstig zy, zoo heeft hy maar alleen op te merken, hoe G. Laires alzins daar 't te pas komt, zig van dergelyke cieraden (om zyn werken luister by te zetten) heeft weten te bedienen: en nog meer roem verdient zou hebben, zoo hy de oudheid daar in nagebootst had.

Tot dus ver oordeelen wy in opzigt van den toestel der Heidensche Offerhanden met hun aankleven genoeg gezeit te hebben; schoon wy alleen de'franje (om zoo te spreken) van dien voorhang alleen beschouwd hebben. Verder was onze toeleg niet: en men oordeelt een zaak volkomen te wezen, die aan het oogmerk voldoet.

[p. 145]origineel

Wy bragten voorhenen verscheiden Konstschilders, mannen van onbesproken leven en wandel, en nu even te voren Dan. Zegers, die de Konst en het Kloosterleven te gelyk betragte, op het Toneel. Thans sluipt'er weer een ruig schaap onder de geschoore kudde. Het schynt dat het zoo effen in de waereld niet gaat. Trouwens de Toneelen vereischen somwylen wel eens verandering van persoonen en zaken.