De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Adriaan van Linschoten]

ADRIAAN van LINSCHOTEN (op de lyst der Regenten van St. Lucas Gilt, te Delf, staat zyn naam op 't jaar 1627 dus aangeschreven: Kornelis Adriaan Linschoten) is geboren te Delf in 't jaar 1590. By wien hy de Konst geleerd heeft weet ik niet met waarheid te zeggen, maar sommigen meenen dat hy een Leerling van Spanjolet is geweest. Immers de stalen die van hem na gebleven zyn, doen ons zien, dat hy zig beter op de Schilderkonst, dan op de wellevenskonst verstont. Want hy een los, onbesuist, en slordig leven leide, waar door hy tot armoede zou hebben geraakt, ten waar twee zusters die hy had, gestorven zynde, hem erfgenaam van het jaarlyks inkomen harer nalatenschap gemaakt hadden.

In 't jaar 1634 trok hy naar Braband, en trouwde daar met een jong en gering meisje, dat zig geneerde met Speldewerken, maar schoon was, en goed verstant had. Na verloop van eenige jaren kwam hy met zyn Vrouw en twee Dochtertjes in den Haag wonen. Pieter van Ruiven, Konstschilder te Delf, heeft my verhaalt, dat hy hem in den jare 1677 of 78, heeft gekent, zynde toen een man van 87 of 88 jaren, met een langen ongeschoren baart. Van Linschotens Konst sprekende, wist

[p. 146]origineel

hy te zeggen, dat hy het voorval 't geen den Apostel Petrus met de dienstmeit des Hoogenpriesters is ontmoet, zoo natuurlyk had afgemaalt, en de gestalte des gemoets in de wezenstrekken zoo konstig verbeeld, dat zeker Predikant daar zulk een welgevallen in had, dat hy hem verzogt, ook het berouw van Petrus, tot een weergâ daar toe, op een ander doek te schilderen. Dit geschiede en 't was niet min konstig en naar zyn zin uitgevallen. Als de Predikant dan kwam om 't zelve te zien, en daar verwondert voor stond te kyken, zeide hy: wat dunkje, Heer Predikant? heb ik dien huilebalg niet wel getroffen? De Predikant hem over zy aanziende, zeide: Wel hoe! wat 's dat voor zeggen? waar op hy 't nog erger maakte, zeggende: Wel ja: was 't niet een groote zot dat hy daarom ging huilen? ik heb zoo dikwils gelogen en gezworen tegen myn beter weten, en heb'er nooit over gehuilt. De Predikant zig omkeerende, zeide: Foei jou goddeloos mensch, nu ik dit hoor, begeer ik van jou Konst niet te hebben, en ging weg, zonder daar meer naar om te zien.

By den Heere vander Heul, Buskruitmaker buiten de Waterlootse Poort, hange een Konststuk van hem verbeeldende een Alchimist in zyn werkhuis, geestig gedagt en geschildert. Inzonderheid de borst en armen van het Mansbeeld, welke niet alleen vleezig en natuurlyk zyn geschildert, maar ook vast, en konstig geteekent. En dus zyn 'er meer in de huizen der oudste geslagten te Delf te zien.