De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Leonard Bramer]

Dit zelve jaar 1596 bragt voort LEONARD BRAMER. Deze door reislust gespoort begaf zig al met zyn achttiende jaar op reis naar Atrecht in Artoys, van daar naar Amiens, Parys, Marsellie, Genua, eindelyk naar Romen, daar hy zig eenige jaren heeft opgehouden, eerst met yverig en naarstig zyn Konst naar zoo veel heerlyke voorwerpen voort te zetten, en daar na met zyn talent te vertoonen aan de konstliefdige Hoven te Romen, Venetien, Florence, Mantua, Napels, Padua &c. Zyne Konstwerken die hem voornamentlyk berugt maakten, waren, eene Opwekking van Lazarus, heel woelig van ordonantie wel geteekent, en geestig van dag en schaduwe. Een verloochening van Petrus en meer andere: en wyl hy meer op roem dan op gelt gezet was; vergenoegde hy zig daar meê, dat zyn naam door geheel Italien berugt was; en trok weder naar zyn Vaderland, om daar ook zyne Konst te vertoonen. Thans pronkt het Princelyk Huis te Ryswyk nog met een voornaam staal van zyn loffelyken geest. Zyn beeltenis gevolgt na 't geen Ant. vander Does gesneden heeft, staat in de Plaat I. boven aan.

Men ziet dikwils onder de beminnaars van Konst, nog van zyn kleine historitjes op koper geschildert, die geestig van vinding en Konstig gedagt zyn.

Op een zyner voorname op koper geschilderde tafereelen, verbeeldende Thisbe, met Pyramus

[p. t.o. 164]origineel



illustratie

[p. 165]origineel

haren minnaar, heeft Lud. Smids dit volgende vaers gemaakt:

 
Eerwaarde grysheid! wat zoekt gy, by naaren nagt,
 
Met toorts ligt, aan dit graf van Ninus? 't is de Vader
 
Van Pyramus, en het is THISBES Moeder zagt!
 
Hoe zullen deze twee zig houden, treênze nader?
 
 
 
Hier legt de minnares, in 's minnaars bleeken arm.
 
O t'ongelukkige, en te deerelyke lyken!
 
Elk word zyn kind gewaar. Zie beider droef gekerm
 
De Moeder knikkebeent. Hy stut haar in 't bezwyken:
 
 
 
Dog onder 't stutten, zeeg hy met de Vrouw haast neer,
 
Had Bramer hem niet, met de kragt van kloeke verven,
 
Gesterkt; 't bloed met een nagt gedekt, en' t moordgeweer
 
Verborgen in het gras; hy poogd haar zelf van sterven
 
 
 
Te vryen, met metaal geharnast, op dat zy
 
Dus eeuwig treuren in een koop're Schildery.

Men vind onder d'oude Konstschilders stalen van zulke die met hunne werken traag of langzaam voortgingen, en wederom anderen welker werken (gelyk het spreekwoord zeit) als van de hand vlogen, aangeteekent.

Protogenes nam veel tyds tot het maken zyner Konstwerken, schilderde dezelve viermaal over, om dat zy het marmer zouden konnen verduuren. Leonard da Vinsi zegtmen, dat over zyn schoone Mona Lisa, vier jaren bezig was, en 't stuk nog

[p. 166]origineel

onvoldaan liet. En Zeuxis roemde dat hy lang over zyne werken bezig was, zeggende: De rasheia geeft geen bestendige schoonheid, daar de gestadige en langzame arbeid, een bestandige kragt, het werk een duurzame luister geeft en doet behouden. Waar op het spreekwoord past,

Haast gedaan, haast vergaan.

Anderen daar en tegen hebben hunne Konstwerken met een ongelooffelyke vaardigheid weten af te maken, als Rosso, Pordenenes, Peeryn del Vago, Polidoor, en oulings onder de Nederlanders Frans Floris, die, wanneer hy eens boven zyne gewone rassigheid wilde toonen wat het penceel vermogt, wanneer het door yver aangezweept word, schilderde zeven beelden levens groot, in den tyd van zeven uuren, welke dienen moesten tot de pragtige inhaling van Keizer Karel tot Antwerpen.

Deze voorbereitselen hebben wy gemaakt om die drie bekende penceelkampers, namentlyk Knipbergen, van Goijen, (waar van wy daadlyk breeder zullen spreken) en Parselles daar by te gedenken. Deze (dus verhaald het Hoogstraten, in zyn vi Boek van de Hooge schoole der Schilderkonst) hadden t' zamen een wedding aangegaan, om elk binnen zonneschyn een stuk te maken.

Knipbergen stelde een tamelyk grooten doek op den Ezel, en het penceel tot zyn wil hebbende, begon op zodanig een aangewende wyze te schilderen, dat al wat hy ter neer zette gedaan was; want lucht, verschiet, geboomte, gebergte, en stuyvende watervallen, vloeiden uit zyn penceel, als de letteren uit de pen van een vaardig Schryver. Hy sloeg zyn bladerwerk en spartelende groente, op een

[p. 167]origineel

aangewende lugtige wyze; de dunne wolken dreven hem als van de hand, en de klipagtige rotsen, en brokkelige gronden werden als spelende uit zyne verwen geboren. Nevens dezen zat Jan van Goijen die op een gansch andere wyze te werk ging. Want zyn geheel paneel overzwadderende hier ligt, daar donker, min of meer als een veelverwige Agaat, bestont hy allerlei aardige koddigheden daar in te zoeken, die hy met weinig moeite, door penceeltoetsen kenlyk maakte, zoo dat ginder een geestig verschiet, verciert met boere gehugten zig op deed. Hier zagmen een oude steevest, met poort en waterhoofd voor den dag komen, en zig in 't aankabbelende water spiegelen, ook verscheiden slag van Schepen, en Schuiten met vragt of reizigers beladen. In 't kort zyn oog, als op het uitzien van gedaantens, die in een Chaos van vermengde verwen verborgen lagen afgeregt, stierde zyn hand en verstand op een vaardige wys, zoo datmen een volmaakte schildery zag, eer men regt merken kon, wat hy voorhad. De derde was Parselles, die groote Fenix in 't Zeeschilderen. Maar de aanschouwers gaven den moed byna verloren, als zy zagen hoe traag hy zyn penceelen handelde, ja het scheen in 't eerst, of hy moedwillens den tyd verkwiste, of niet wist, hoe te beginnen. Maar dit kwam om dat hy eerst een vast denkbeeld vormde van zyn gansche werk, eer hy verf op 't paneel bragt. Maar de uitslag toonde wel dat dit de regte wyze van doen is; want schoon hy in langzaamheid volharde, hy nam alles zeker en wis, en was des avonds zoo wel klaar met zyn stuk, als zyn tegenstryders; en hoewel Knipbergens stuk grooter, en van Goijens volder van werk was, Parselles had in het zyne meerder natuurlykheid waargenomen, en 't werd ook by de kenners waardiger geschat, schoon yder in

[p. 168]origineel

't zyne niet en was te verwerpen.

Ik houde deze laatste wyze ook wel voor de zekerste, ook de tweede wel voor de vremdste; en lust het u Lezer, te luisteren, ik zal u diergelyk verhaal doen van den Franschen la Fage, door zyne Teekeningen en Printkonst genoeg bekent.