De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Joan vander Brugge]

JOAN vander BRUGGE, die te Parys omgang met hem hadde, had zyne Landsluiden, Brabanders, wonderen van dezen Raimond la Fage weten te vertellen, en hun belofte gedaan, dat hy hem eens van Parys meê zouw brengen, gelyk hy dan eindelyk deed. Hy kwam met hem in de gewoone schilderskroeg, en plaatste hem nevens den schoorsteen aan den haart, zonder dat ymand daar eenig agt op gegeven had, veel min eenig vermoeden dat dit la Fage was, die met hem was ingekomen. Behalven dit had hy geen glansig goud, of zilver om zig, dat straks het oog trekt en dikwils gelegentheid veroorzaakt in de nieuwsgierigen om te weten wie zoo een is.

'T leed niet lang of 't gezelschap maande vander Brugge tot het voldoen van zyne belofte, waar op hy met een lachenden mond antwoorde: Of ik hem nu eens meê gebragt had? Hier door stak elk d'ooren op, en begon d'een voor en d'ander na te vragen: waar is hy? Daar op (na hy hen een lange wyl in de maling gehouden had,) zeide hy: la Fage is onder ons gezelschap, en wees hem aan: dog zy namen dit op voor spotterny, waar om ook sommigen zig niet ontsagen te zeggen: (wyzende met den vinger op hem) is dit la Fage? hy lykt 'er wel na. Dit lokte la Fage uit den hoek; die zyn hals als een paauw opstak, en met een bytende stem zeide: Ik ben 't zelf, en wilt gy 'er 't

[p. 169]origineel

bewys van zien, zoo doen papier en inkt geven. Dit werd hem straks bezorgt, en hy aan de tafel gezeten, daar zy alle rond om henen schoren, en voorts op stoelen en banken klommen, om over de voorste heen te konnen zien, vraagde hy: wat zy wilden dat hy zoude maken? waar op een uit den hoop hem toeriep: Pharao daar hy in 't Rode Meir verdrinkt, 't welk van alle tegengesproken wierd; wyl onbehoorlyk was, hem, die hun d'eer aandeed van in 't gezelschap te komen, een werk te vergen daar de gansche avond meê zouw deurloopen, en over zulks geen tyd overig zyn om hem eenig vermaak aan te doen. 't Woord was egter gesproken, en la Fage begon aan 't werk, maar op een wyze waar van zy alle verbaast stonden te kyken. Hier schetste hy een arm, ginder een been, hier een hoofd, daar een voed; dan eens eenige beginselen van t' saam gekoppelde beelden in 't verschiet, straks weer op den voorgrond; zulks dat in 't kort het gantsche blad papier alom bezaaid stond met stukken en brokken, van paarden en menschelyke figuuren. Eindelyk kwam die Chaos van onder een vermengde leedematen, tot een Konstige welgeschikte teekening aangegroeit, binnen den tyd van twee uuren tot aller verwonderinge voltooit, waar in hy verbeeld had hoe Pharao met zyn krygsheir, en paarden en wagenen, waar mede hy Moses vervolgde, in 't Rode Meir verdrinkt, die met Aaron en gans Israël op het drooge over hunne verlossinge juigten. En dat alles vast naar de Konst geteekent met een menigte van cierlyke byvoegselen, zoo vazen als kruiken, en menigerhande veranderinge van dragten, sluyers en hoofdhulsels, te lang om te verhalen. Dit is my dus van goederhand berigt, en ik geef

[p. 170]origineel

het, zonder daar op te woekeren, voor den eigen prys, als ik het ontfangen heb weêr over. Zyn Leerling Bauttard thans in Engeland, heb ik 't ook op gelyke wys, dog ontrent een werk van geringer beslag in een vol gezelschap, daar ik tegenwoordig was, zien doen.