De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Antoni van Dyk]

Dit zelve jaar 1599. op den 22 van Lentemaand is ANTONI van DYK geboren, en te Antwerpen in de wieg geleit, om tot zynen volkomen wasdom aangegroeit in de zestienhonderste eeuw onder de Konstenaren, als een Fenix onder de vogelen, in schoonheid uit te blinken.

Zyn Ouders hebben voortyds te s'Hertogenbosch gewoont, daar zyn Vader de Konst van 't Glasschilderen oeffende, als uit de beschryvinge van Gouda door J. Walvis te zien is, daar men dus leest: Daniel (te weten de Zoon van den Predikant Herboldus Tombergius) oeffende zeven jaren deze Konst onder Westerhoud; en naderhand by den Vader van Antoni van Dyk die een goed glasschryver was, in den Bosch. &c. 'T lust ons (om een aanvank van van Dyks levensbedryf te maken) den Vader uit zyn verbrande lykas te doen opzien, op dat zyn geest zig verheuge over den schoonen en heerlyken luister van zynen Zoon, in een Poëtische beschryving, of zinspelend vertoog van den vogel Fenix; waar toe wy ons bedienen van 't rym van Joach. Oudaan.

 
Maar als ze merkt eer lang hoe d'as, in een gedrongen,
 
Opwellende uit dien klomp, en Lykbus, eenen jongen
 
Te voorschyn brengt, een vrugt die na den Vader sweemt,
 
Die 't blinkende gewaad den voor'ge pennen neemt,
 
(Daar d'Eed' le mengeling der goude en purp're veeren
 
Zig tot een halsjuweel, en borstcieraad schakeren)
 
En met dien glans hervormd, komt dryven door de lugt;
 
Dan juichtze: dan verschynt een ongemeene vlugt
[p. 180]origineel
 
Van Voog'len, van alom, die vrolik in 't ontmoeten
 
Met grunz'len en gezang dien Zonnezoon begroeten.

En waarlyk veelen hebben uit een Konstminnende drift, anderen uit leerzugt gedreven, altyd zyne werken met verwonderinge beschouwd. Ja de bevindinge heeft ons doen zien hoe als eenige van zyne voorname werken in 't ligt gesteld worden, en gelegentheid gegeven is omze te konnen zien (gelyk toen die stukken in 't jaar 1713 van 't Loo gebragt op 't Heere Logement te zien waren) de menschen om de zelve als de muggen om het ligt zworven. En zoo men Konst agting moet toedragen, zoo verdientse die van van Dyk waar in niet alleen een naar de Konst geregelde teekening met het leven over een komende bespeurd word; maar die met het schoonste leven zoude twisten: als ook een kragt en helderheid in de mengeling der verwen, daar men de natuur, zoo ze zig nevens de zelve wilde ter monsteringe stellen, van schaamte zoude zien blozen. De Konstminnaars hebben ook op den verkoopdag den 26 van Hooimaand van 't jaar voor gemeld, aan de waereld doen zien wat agting zy voor van Dyks Konst hadden. Want een stuk (waar in verbeeld stond Maria, Joseph, Jesus nevens eenige danzende kintjes) hoog 7 voet en breed 10 voet, werd verkogt voor 12050 gulden.

Ik die de gelegentheid gehad heb om een groot deel van zyn konstige Pourtretten in Engeland van naby te konnen beschouwen, heb menigmaal moeten verwondert staan over de enkele behandelinge, die zeer welstandig en egter op een ligtvaardige wyze aangetast is.

Om dan tot van Dyks levensbeschryving voort te varen, zegge ik vast te gelooven dat de

[p. 181]origineel

Schryver der Stad Gouda boven gemeld, dit van zyn Vader naar trouw en waarheid heeft geboekt; en geen toeleg heeft konnen hebben om de nakomelingen hier door te misleiden, wyl hy geen vooruitgezigt heeft konnen hebben, dat dit ooit tot bewys van, of voor deszelfs eer zoude konnen dienen, of te pas gebragt worden, gelyk het nu doet. Want hier door valt nu die gansche vertelling die men gemaakt heeft; (als of van Dyk door Rubbens als van de straat was opgeraapt, en opgevoed, zonder te weten van wien hy voortgesproten was) van zelfs om veer.

Eene zaak brengt my wat belemmering aan: dat is, dat ik verschil onder de Schryvers, in opzigt van het jaar zyner geboorte vind. Wie zal regter wezen? en nogtans wilden wy wel zeker wezen in onze aantekeningen. Korn. de Bie steld het jaar zyner geboorte als boven in zyn Boek ook onder zyn pourtret. Maar Moreri in zyn algemeen Woordboek: dat hy is geboren in 't jaar 1598. nu kan ik dit als geen drukfout aanmerken dewyl hy ook het jaar van zyn sterven vervroegt: dog Moreri staat hier in alleen tegen alle getuigenissen: en wy zullen den meesten hoop volgen, maar ik vind by gemelden Schryver zaken in zyn leven voorgevallen die van anderen meede beschreven zyn, dog by hem veel naaukeuriger, en met meerder oplettentheid geboekt. Gelyk onder anderen wie zyn eerste meester in de Konst is geweest; dat hy een vrouw gehad heeft met wie hy getrouwd was, ook van wat geslagt, daar andere zoo maar wat in 't wilt (als men gemeenlyk zeit) over geschermt hebben, en in twyffel getrokken of hy ook wel een egte vrouw gehad heeft; als ook byzondere berigting aangaande zyne naarlatenschap, en meer

[p. 182]origineel

byzonderheden, die wy op haar plaats zullen te pas brengen. Welk alles my gerustheid geeft van hem daar in te mogen volgen. Maar dat hy steld, dat, Henrik van Balen zyn eerste onderwyzer in de Konst zoude geweest zyn; zoude hy, indien hy geweten had dat zyn vader een Konstoeffenaar geweest waar, niet gezegt, maar die eer aan zyn vader gelaten hebben; wyl het bedenkelyk is dat hy zyn Zoon van der jeugt aan naar mate zyner bevattinge in de gronden der Konst zal hebben onderwezen.

En niet alleen was de vader van van Dyk een Konstoeffenaar, maar ook zyne moeder een berugte Konstenaresse met de Borduurnaald. Onder hare gestikte werken word geprezen een schoorsteenkleed, waar in zy door allerhande koleur van zyde de Historie van Susanna afgebeeld had, de Beelden van een vasten omtrek, en de vermenginge der kleuren naar den aart van elk ding, als ook den boord van 't kleed met losse ranken zoo konstig door malkanderen gevlogten, dat dit eene stikwerk alleen genoeg was om haar vernuft te roemen. Daar by word ook verhaald dat zy inzonderheid met yver daar aan gewrogt heeft, in dien tyd als zy van Ant. van Dyk (wiens beeltenis hier over staat) zwanger ging.

Of van Dyk nu het onderwys van van Balen gehad heeft voor hy by Rubbens kwam, daar van is geen zekerheid; maar dat hy een Leerling van Rubbens geweest is, is by allen bekend, gelyk ook dat hy zoodanig in de Konst onder zyn leiding is toegenomen, dat hy hem stelde aan zyne beste werken te schilderen. Hy heeft nog by zyn meester zynde, deszelfs pourtret, dat van zyn vrouw en verscheide anderen gemaakt, als mede zommige

[p. t.o. 182]origineel



illustratie

[p. 183]origineel

stukken met verscheiden Beelden van welke alle hy meerder roem als geld oplei, uit oorzaak dat Rubbens by alle Grooten aangezien (gelyk ik meer gezegt heb) hem in alle voordeelen te veer voor uit was, om het tegens hem op te halen.

De twee eerste stukken waar aan hy zyn vermogen in de Konst dede zien, wanneer hy van zyn meester was, waren, de Gevangenneming van Christus in den Hof; en daar hem door de Roomsche Krygsknegten de Doornekroon word op 't hoofd geplant.

In dezen tyd was Italien in vollen bloei; en scheen yder uit te lokken tot een renloop in de Konst om een onsterfelyke eerekroon; ja men sprak van Romen niet anders als de Grieken van Athenen, even als of de Konstgodes daar haar zetel gevest had; waar door men dagelyks zag uit alle oorden Konstenaars daar na toe vloeijen; waar door onze van Dyk meê den reislust in 't hoofd kreeg, daar hem zyn meester mede toe aanzette, en voortstuwde; om inzonderheid de Konst van Titiaan tot Romen en Venetien te gaan zien: Dog men verhaald dat hy dezen raad van Rubbens verdagt hield; even als of hy 't maar deed om hem van honk te helpen, op dat de stralen van zyn ryzende zon, zyn ligt niet zouden benevelen. Het zy daar meê zoo 't wil: verscheiden stalen hebben ons egter doen zien dat Rubbens van Dyk opregt bemind heeft.

De reis ging egter aan, en de Heer Nani was een der genen die hem op den weg naar Rome verzelde. Dog de uitreis duurde zo lang niet als zy zig wel hadden voorgesteld, vermits de pest in verscheiden Italiaansche Steden in dien tyd merkelyk toenam. Echter was hy daar zoo lang dat, toen

[p. 184]origineel

hy weder te rug kwam, men aan de behandeling van zyn naakt wel zien konde dat hy de penceelkonst van den grooten Titiaan wel doortuurt had. Want men zag van dien tyd aan, meer een peerle moeragtige tederheid in zyn naakt doorspelen als wel voorhenen.

Naar dat hy zig in Vrankryk dan een lange wyl had opgehouden, zonder nogtans veel voordeel te doen, is hy weder te rug naar Antwerpen gekomen, daar hy welkom was, inzonderheid by zyn Meester Rubbens, die (zoo de vertelling anders waar is) hem onder genoegzame verstaanbare omstandigheden zyn Dochter aanbood, 't geen hy op een beleefde wyze van de hand wees, onder voorwending dat hy van voornemen was de Roomsche reis nog eens weder te hervatten. Maar dit was (gelyk men gemeenlyk in zulken geval zeit) de Bootschap niet, maar dit; Dat hy een algemeene liefde voor het moederlyke beeld hadde, en zyne geneigtheid tot geen een of enkel voorwerp bepalen konde: hoewel hy naderhand nog in Engeland getrouwd is geweest.

Het eerste groot stuk dat hy maakte, na dat hy was van zyn reis wedergekomen, was het hoog Altaarstuk in 't Klooster van d'Augustinen t'Antwerpen, waar door zyn naam rugtbaar werd. Dog het Goud dat hy daar voor in zyn beurs stak, kon hy gemakkelyk dragen, door dien de Broederschap, die meer van 't hebben en houden, als van geven hielden, daar vry veel op wist te vitten, en wel op 't voornaamste van 't werk, te weten 't beeld van St. Augustyn; voorgevende dat het scheen als of hy dronken zynde, agter over viel: daar van Dyk de verwonderinge, op 't beschouwen van 't Hemelsche gezigt, door die gestalte verbeeld had.

[p. 185]origineel

Weinig tyd hier naar werd hy ontboden van Frederik Hendrik Prince van Oranje, om zyn pourtret en dat van de Princes, en Zoon te schilderen; het geen hy tot hun groot genoegen uitvoerde. Wedergekeert tot Antwerpen, maakte hy een altaarstuk voor de Capucynen te Dendermonde, dat zoo wel uitviel dat het voor een van zyne beste werken geschat wierd.

Daar aan volgde het stuk voor de Cordeliers, verbeeldende een dooden Christus in den schoot van Maria. Deze drie stukken die elk op zyn schoonst geschildert, den roem van hun maker melden; al had hy niet meer als deze stalen van zyn Konst de waereld naargelaten, waren genoeg geweest omte doen zien, dat hy de Fenix onder de Schilders van die eeuw geweest is. Straks hier op vloeide hem van alle kanten gelegentheid toe tot het schilderen van pourtretten, die zoo wonder wel gelukten, dat het scheen of hy daar toe geboren was, zulks dat de eerste luiden van aanzien hem daar om aanzogten: onder deze was Izabella Klara Eugenia, Hertogin van Braband enz. in Nonnekleeding door hem geschildert, daar J. Vos dit vaers op maakte:

 
Dus zietmen Izabell de hoofsche praal verdryven.
 
Zy leid het purper om de Nonnekleeding af.
 
Haar hoofd behaagt geen kroon, dan die van vreedeolyven.
 
Zy kiest den palmtak voor den gouden paarelstaf.
 
De toppen van haar Deugt gaan hooger dan de wolken.
 
De Deugt der grooten strekt een baak voor alle volken.

Inmiddels werd hy bekend by de Engelsen door 't schilderen van zyn overkonstige pourtretten. En 't leed niet lang of hy wierd door den Ridder Digby

[p. 186]origineel

verzogt, om naar Brittannien over te schepen, gelyk hy ook deed. Deze bragt hem by Koning Karel, dien hy verscheide malen schilderde, als ook de Koninginne Henriette de Bourbon, en de Princen Karel en Jakob, voorts de meeste Lords en grooten van Engeland, waar door hem de beurs vry wat dikker opzwol als wel voorheenen. Daar by vereerde hem de Koning met de Ridderschap en een goude keten met 'sKonings pourtret, omzet met diamanten; en een jaarlyks inkomen. Waar door zyn yver en lust magtig werden aangespoort. Dog het is te beklagen dat veele van zyne beste werken, die hy voor den Koning gemaakt heeft, verstrooit en verbrand zyn.

'T is waar, zyn yver en lust nam toe, terwyl zyn beurs aangroeide, maar 't leed niet lang of hy wierd door 't schoon praten van een bedrieger, die zig voor Alchimist of Goutmaker uitgaf, (daar deze menschen nogtans altyd goutzoekers zyn en blyven) zodanig betovert en misleid, dat hy een Laboratorium liet opregten, en duizenden daar aan te koste lei zonder dat 'er eenig voordeel uit quam; als dat hy daar door geleerd was zulks niet meer te ondernemen, en klaar bevond dat zyn Schilderkonst de beste en zekerste goudmyn voor hem was.

Hy die nu dagelyks aan 't Hof verkeerde, en zoo menig behaaglyk voorwerp zag, liet zyn oog vallen op de schoonste, die hy (wyl hy op geen andere wys, als door den weg van Huwlyken daar bezitter van worden konde) trouwde met goedkeuring van den Koning. Dit was een van de schoonste en eerste Dames van 't Hof, en van een oud adelyk geslagt uit Schotland, Dochter van den Lord Ruten, Comte de Gorie. Maar hy had met haar niet ten Huwelyk dan hare schoonheid en Adeldom.

[p. 187]origineel

Ik heb my niet genoeg konnen verwonderen als ik in Engeland zynde, zag, zoo menig pourtret met een zelve jaarmerk bestempelt: waar uit ik besluiten moet dat hy een ongemeen vaardig penceel moet gehad hebben. De meeste van de Hovelingen en Grooten van dat Koningryk zyn nevens hare Vrouwen, ook de Dames van Staat in dien tyd door hem geschildert, waar van 'er verscheiden in print uitkomen.

Op Winsingdon, het Landhuis van den Lord Warthon heb ik 32 pourtretten, waar onder 14 ten voeten uit, in een vertrek geteld, elk in 't bezonder van hem op 't heerlykst en konstigst geschildert, inzonderheid de beeltenissen der Vrouwen: waar omtrent ik heb opgemerkt, dat hy een volmaakt schoon model tot het schilderen van de handen gehad moet hebben: als mede dat hy een zeker getal uitgekipte welstandige buigingen en grepen van handen doorgaans in zyne werken gebruikt heeft; en dus een en de zelve handen aan verscheiden Beeltenissen te pas gebragt. En terwyl ik van zyne schoone en konstig gevormde handen schryf, schiet my in den zin, een grappig antwoord dat hy de Koningin daar op toeschoot. Deze dan door zyn konstpenceel een en andermaal afgemaald, vraagde hem, waarom hy hare handen, meer dan haar wezen had geflatteert; waar op hy tot antwoord gaf: Om dat ik van de zelve belooning wagt. Maar het is te beklagen dat zulk een voorligter in de Konst zoo ontydig door de dood wierd weggerukt. Dog wat zal ik zeggen? Hy had zig (dus is my in Engeland door verscheiden geloofwaardige menschen verhaald) aan de vlam van Kupidoos fakkel gezengt, en de Hulpmeesters, om dien brand te koelen, hadden

[p. 188]origineel

zyn levensvuur met een uitgeblust, zoo dat 'er geen verwarmen aan hem was. Koning Karel, die een groote zugt voor hem had, beval aan zyn geneesheer, geen kosten ontrent hem t'ontzien, maar alles wat helpen konde in 't werk te stellen, met beloste van aan hem 300 Guinea's voor zyn herstelling ten geschenk te zullen geven. Dees deed dan een Rund keelen, de ingewanden in aller haast daar uittrekken, en hem (latende maar een weinig opening tot ademscheppen) daar naakt in naaijen, om zyn bloed te verwarmen, en de levensgeesten te doen opwakkeren: Maar 't was te vergeefs; hy leefde daar na nog maar een korten tyd, en stierf in 't jaar 1641, en werd in de Kerk van St. Paulus te Londen begraven.

Alle de genen, die men wel wenste dat lang leefden, om dat zy nut geven, zullen veeltyds vroeg sterven: en de genen, die nergens goed toe zyn, leven 't langst, zeit Gratiaan.