De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Joan de Heem]

En aangezien wy den regten tyd van zyn geboorte niet weten, hebben wy hem hier geplaatst; om door hem en JOAN de HEEM, een der berugtste Bloem- en Fruitschilders, het jaar 1600 luister by te zetten.

 

Wy hebben ontrent het leven van sommige Konstschilders aangemerkt, dat, gelyk der menschen levenstyd verdeelt word in Lente, Zomer, en Herfst, de Konst ook gelyk als van de kindsche jaren opklimt, hare hoogte heeft, en weder daalt: zoo dat, die mannen in de Konst waren, naderhand met den ouden dag, kinderen daar in wierden. Maar daar van is het tegendeel in onzen de Heem gebleken; wiens Konstzon, na dat zy eens ten kimme was verrezen, nimmer daalde; want het is bekend dat hy tot zyn t'zeventigste jaar geleeft en de Konst geoeffent heeft; en egter zyn laatste penceelwerk het beste en konstigste was. Onder alle muntte uit zeker groot Tafereel, gemaalt met een krans van allerhande Fruit en Bloemen, 't geen hy voor den Konstminnende Johan vander Meer, die ook als Konstschilder op zyn beurt ten Toneel zal komen, schilderde, die hem daar voor betaalde de somme van 2000 gulden.

Dezen vander Meer die een Loodwitmakery en treffelyke woning buiten Utrecht hadde, trof het ongeluk, dat de soldaten in den jare 1672 dit alles tot den grond toe verwoesten, zoo dat hy daar door in een slegten staat raakte. Dit stuk ter naauwer nood voor de woede geborgen, scheen hem de eenigste hoop te wezen tot herstelling; des hy besloot met goedkeuring van den Heer van Zuile-

[p. 210]origineel

stein dit ten present te schenken aan zyn Hoogheid den Prince van Oranje, naderhand Koning van Engeland, met verbeelding van eenig ampt daar door te zullen verkrygen, en des te meer, om dat de soldaten van den Staat wel voornamentlyk de oorzaak van zyn bederf waren geweest. Dit geschiede. Dog hy liet voor af, om het te meer smakelyk te maken aan den Stadhouder, deszelfs beeltenis in 't midden van gemelde Fruit en Bloemkrans schilderen. Maar gelyk 'er (als het spreekwoord zeit) niet eerder vergeten word als weldaden, zoo verliep'er ook een geruime tyd dat de Prins aan hem niet dagt, niettegenstaande hy het zelve door voorspraken en verzoekschriften levendig hield. Anderen hebben aangemerkt dat het sterven van den Heer van Zuilestein voor Woerden (die 't wel met hem voor had) zyn ongeluk was. Eindelyk stelde de Prins hem in de Vroedschap tot Utrecht, dat hem even zoo veel dienst doen konde als 't vyfde rad aan den wagen. De Raad van Utrecht met hem verlegen zynde, aangezien hy in zyn oogmerk miste, gaf hem het Tollenaars ampt of Controleurschap aan de Vaart anders Vreeswyk. Dit was het loon voor zoo heerlyk Konstjuweel 't geen ik niet weet waar zedert vervaren is.

Verscheiden buitenlandsche Hoven hebben zyne konstwerken behaagt, en het teeken van de Ridderschap dat hy droeg is een bewys van de agtinge die zyn Konst gehad heeft, tot dewelke hy (behalve de natuurdrift) geene andere leidinge gehad heeft als die van zyn Vader David Davidze de Heem, die te gelyk met zyn Zoon in den jare 1660 nog leefde, als uit dit Rym van Korn. de Bie te speuren is,

[p. 211]origineel
 
Hier leven twee door Konst, de Zoon met zynen Vader.

Beider neiging liep tot het schilderen van allerhande soort van oog- en smaakstreelende vrugten, als Druiven, Persiken, Abrikoozen, Kersen, Oranje, Sitroene en Granaatappelen. Beide waren zy afgerigt op 't nabootsen der schoone natuur; zoo dat'er gezeit word by gemelden de Bie:

 
De Zoon doorploegt zoo wel, zoo zuiver en zoo wakker,
 
Gelyk de Vader doet, Picturaas vrugth'ren Akker.
 
Die 't werk van Vader en van Zoon stelt by malkander,
 
Kan geenzins onderscheid bespeuren........

Dog inzonderheid word Jan de Heem geprezen, om dat hy het Goud en Zilver als schotelen, schalen enz. natuurlyk wist na te bootsen als of het waarlyk Goud en Zilver was. Op het een en ander ziet het volgende vaers:

 
Wanneer de Heem, vol vuurs, op 't onbezielt paneel,
 
't Nieuwsgierig oog verschalkt door streken van 't penceel,
 
Verwondert zig Natuur, die voor den gloed der verven,
 
Haar Ooft, hoe glansryk ziet verbleeken en besterven.
 
'T is ydel datmen van den vrekken Midas rept;
 
Hier heeft de Konst de verf in klinkklaar goud herschept.

Zyn Beeltenis staat in de Plaat K onder Ant. van Dyk, wiens Beeld van de Schilderjeugt met verwonderen word aanschouwd.

[p. 212]origineel

Hy ontweek in den jare 1670 met zyn vier Dochters en twee Zoonen, den moetwil der Fransche soldaten, die kort daar aan het Sticht overstroomden, naar Antwerpen, maar stierf 1674 na dat hy meer dan seventig jaren bereikt had. Beide zyn Zoonen oeffenden zig meê in de Konst. Van Kornelis die wel 't veerste gevordert was in de Konst vintmen naam: maar van den anderen ziet men zelden stukken die met zyn naam gemerkt zyn, aangezien hun Vader voor gewoonte had hunne werken met zyn konstpenceel t' overloopen of over te polysten, gelyk ook de stukken van Minjon die eenige jaren by hem woonde om de Konst te leeren. Men mag hem wel meê onder de gelukkige schilders tellen.

J. Sandrart verhaald dat Tomas Keyzer t' Amsterdam hem voor twee kleine stukjes schildery aanbood de somme van 450 gulden; maar dat hy dezelve, schoon hy een vrient van hem was, niet geven wilde.

Behalven Abrah. Minjon (waar van wy naderhand melden zullen) word ook de Utrechtse Henrik Schook onder de Leerlingen van Joh. Davidsz. de Heem geteld, alschoon hy eerst Abrah. Bloemaart, en Jan Lievenze den ouden tot onderwyzers gehad heeft, en in de Historien al een wyden stap gevordert was. De lust dreef hem (wie kan zyn geneigtheid altyds paal zetten?) om eens een Bloemstuk te maken, 't geen hy aan Jan de Heem, aan wien hy kennis had vertoonde, die het zoo fraai keurde dat hy hem ried op dien voet voort te gaan, en zig geheel daar aan te houden, sprekende openhartig (gelyk hy dus voor alle jonge Schilders gewoon was te doen) van de Konst, en de behandelinge der zelve met een gegrond oordeel,

[p. 213]origineel

waar door gemelde Schook zig aan hem overgaf; te meer om dat hy bespeurde dat dit deel van de Konst hem ligter toeviel als de Historien.