De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jakob Gerretze Kuip]

Wy hadden byna vergeten den braven Dordrechtse konstschilder JAKOB GERRETZE KUIP, wiens penceelkonst al vroeg de konstminnende bekoord heeft, te gedenken; maar wierden hem indagtig als wy zyn Zoon Albert Kuip ten Toneel zoude voeren. Hy schilderden Osjes, Koetjes, Schaapjes enz. De verschieten agter de zelve waren meest land- en watergezigten die zig om en by Dord doen zien, welke hy tot zyn gebruik naar 't leven afgeteekent heeft, en zyn wyze van schilderen was helder gloeijend en smeltende.

[p. 238]origineel

Deze Jakob Gerretze Kuip, Dortenaar, leerling van Abr. Bloemaart Izak van Hasselt, Korn. Tegelberg beide landschapschilders, en Jacques Grief, anders Klaau, die stil leven schilderde, waren de hoofden of aanleiders welke in den jare 1642 het konstgenootschap van St. Lukas te Dordrecht hebben opgeregt, na dat zy uit het Gild, genoemt het Gild van de vyf Neringen (volgens beding als in de Acte van scheiding staat uitgedrukt) waren uitgegaan. Maar eer ik eenige byzonderheden (om den Lezer berigt te geven van 't geen van tyd tot tyd, rakende de Konstschilders is voorgevallen) voortbreng, zal voor af dienstig wezen aan te wyzen hoe de Konstschilders in St. Lucas Gild, en andere Ambagtgilden zyn betrokken: van wien de naam van St. Lucas Gild, zyn af komst heeft; en hoe de Schilders in verscheiden steden uit die Gildens uitgegaan, Broederschappen hebben opgeregt, welke bestonden uit enkele Konstenaars, en Konstlievenden.

Hoedanig oulings de Konstschilder en hunne werken by de grootsten van de waereld zyn geagt geweest, hebben vele schryvers breedwydig gemeld; het geen den leer- en weetlustigen is bekend: dus zal 't niet nodig wezen uit de twyffelagtige oudheid menigte van voorbeelden op te delven, maar wy zullen alleen van de zelve, en van later tyden zoo veel ontleenen, als tot aanleiding van ons oogmerk dient.

Leonard da Vency, was van wegen zyne Konst zoodanig by den Koning van Vrankryk geagt, dat deze Vorst verscheidenmalen, hem, daar hy op zyn ziekbed lag, kwam bezoeken, en handreiking aanbood, zulks hy ook eindelyk in 's Ko-

[p. 239]origineel

nings armen den geest gat. Zie K. van Mander p. 57.

Den moord van Polidoor heeft de Raad van Romen zoo euvel opgenomen, dat den Moorder zoo zwaren straf wierd aangedaan, als of hy eenen van den Raad om 't leven had gebragt. Dit merkt Philips Angels in zyn lof der Schilderkonst aan op p. 22. en voegt daar by, dat de Venetianen nog in later eeuwen, zig door de Konst zoo verëerd agten dat zy aan brave meesters jaarlyks 300 kroonen ten geschenk gaven, op dat zy die binnen hunne muuren mogten behouden. En hoe meer men in d'oudheid te rug treed, hoe meer men zal ontdekken de groote agtinge die men voor de Konst en Konstenaars over hadde. 'T waaren Apelles en Praxiteles die het geluk alleen hadden, dat de grootste waereldvorst hunne Konst beminde; waar op zeker Dichter zinspelende, zeit:

 
Apelles werd, uit veel', alleen gesteld,
 
Te schilderen den grooten Alexander;
 
Praxiteles, bad oorlof, en geen ander,
 
Een marmer beeld te snyden naar dien Held.