De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Emanuel de Witt]

Gelyk der menschen aangezigten van den anderen in kennelyke weezenstrekken verschillen, zoo verschilt ook hun aart, en geneigtheid, naar mate dat d'een meer of min bestier over zyne Hartstogten oeffent, en nog meer wanneer de gemoedsdriften niet alleen de volle toom word gegeven, maar ook wanneer zy in haren aart gevleid worden; waar ontrent

EMANUEL de WITT uitstak, die als een tweede Diogenes Cynicus, elk in de veeren zat, en als Momus elks doen beschimpte, en lasterde.

Hy is geboren tot Alkmaar in 't jaar 1607. zyn Vader was een Schoolmeester geoeffent in de Meetkonst en een goede Redenaar, in welke wetenschap Emanuel in zyn jeugt zig ook geoeffent heeft, waar door hy de Redenkonst boven het gemeen verstond: maar ook daar door menigmaal zintwisten en onlusten in gezelschappen veroorzaakte, inzonderheid wanneer 'er van een Bybelstof gesproken wierd, zig niet ontziende die wyze van Redenvoeringen te dwarsboomen, en het zakelyke in twyffel te trekken, zeggende: dat met zyn vyftiende jaar, hem de schellen al van d'oogen geligt waren. En ten waar de brave Konst die hy bezeten heeft zulks niet vorderde, zyne levenswyze had ons niet bekoort, om hem een plaats onder de Konstenaars in te schikken. Trouwens hy staat 'er niet alleen; wy hebben meer schurfte Schapen onder de kudde ontdekt. Zyn waarde penceel-

[p. 283]origineel

konst moet ten voorbeeld van naavolging, maar zyne levenswyze tot een afkeer en verfoeizel strekken.

Hy heeft de Konst geleerd te Delf by Evert van Aelst Willemsz., waar van wy op pag. 228. gesproken hebben. Als hy zig de gronden van de Konst verstond oeffende hy zig in 't schilderen van Beelden, Historien en Pourtretten, gelyk ook nog het pourtret van de Vrouw van Juriaan van Streek door hem geschildert, by deszelfs Zoon te zien is. Dog hy begaf zig naderhand geheel met'er woon tot Amsterdam, en tot het schilderen van Kerkjes, waar in niemant hem gelyk was, zoo ten opzigt van de geregelde Bouwkonst, geestige verkiezinge van lichten, als welgemaakte beeldjes. De meeste Kerken binnen Amsterdam heeft hy van binnen op verscheiden wyze naar 't leven afgeteekent, geschildert, met Predikstoel, Orgel, Heere- en gemeene gestoelten, Grafsteden en andere vercierselen, zoo dat dezelve te kennen zyn. In sommige heeft hy den Predikdienst, in andere daar het volk te Kerk komt, vertoond, elk in zyn gewoone dragten.

Het voornaamste zyner konstwerken is geweest het ingezigt van het Koor en dat gedeelte van de Nieuwe Kerk daar de Tombe, of Marmere Grafstee van den Admiraal de Ruiter staat. Dit stuk was hem door Jonker Engel de Ruiter voor een goede somme geld aanbesteed, maar die stierf eer het gelevert was. De Predikant Bernardus Somer met de Dochter van den Admiraal getrouwd, niet veel werk van schilderyen makende, bood onzen Emanuel 200 en eindelyk 300 gulden voor het zelve, maar hy bleef stysnekkig staan op het regt van zyn gemaakt verding, en schold den

[p. 284]origineel

Predikant voor al wat leelyk was, die hem daar voor zoo lang liet naloopen, dat hy van kwaadheid een mes nam, (niettegenstaande hy geen een stuiver in zyn zak had) en sneed het stuk aan riemen. Het is slegs een kleen gebrek (zeit een wys man) dat uwe bejeegeningen ruw zyn; en nogtans is dat genoeg om een yder afkeerig van u te maken. In tegendeel is de vriendelykheid yder bevallig.

Zyn brave Konst maakte hem al dikwils goede vrienden, maar hy wist zig (volgens de Spaansche spreuk) daar zoo lang niet van te bedienen, tot hy dezelve niet meer noodig had. Hem werden in zyn tyd twee stukken voor den Koning van Denemarken aan besteed. De tyd binnen dewelke zy gedaan moesten wezen, lang verstreken, kwam des zelfs Consul daar na omzien, zeggende dat zyn Koning onvergenoegt was; dien hy met een norschen kop dus toegraaude. Als de Ossenkoning die stukken niet begeerde, dat hy dezelve wel aan een ander verkoopen konde. Dus maakte hy door zyn onbesnoeide tong zyn vrienden tot vyanden; en werd van elk (als men zeit) met den nek aangezien: zelf van de Konstenaars, door dien hy van elks doen met veragting sprak. De Schilderyen van Lares vergeleek hy by de Prince Vlag, ja de beste Konst was niet vry van belastering.

'T gebeurde op een laten avond dat Lares in de herreberg kwam daar de Witt zat, een stuk kryt nam en eenige lynen op de tafel trok; om de Witt, die gewoon was op zyn meetkunde te snorken, te trotseeren. De Witt die zulke schuld niet lang borgde, maakte met kryt op de tafel een schets van 't kanon, waar meê hy zeide dat hem zyn neus afgeschoten was. 't Welk Lares euvel opnam; en Emanuel kwam niet on-

[p. 285]origineel

geteistert daar van daan. 's Morgens vroeg met den dag ontmoette hem een van zyne bekende, die hem eerder aan zyn kapot als wezen kende, want hy twee blaauwe oogen, een dikke neus, en verscheide krabben in zyn aangezigt had. Dees zeide tot hem: wel hoe Vader de Witt! hoe dus geteistert, en waar zoo vroeg na toe? die tot antwoord kreeg, zie: dit pourtret hebben zy my gister avond dus mismaakt in den donker gedoodverft, en daar gae ik weer na toe, om het by den dach te laten opmaken.

'T schynt of de Witt, naar de verkeerde zinspreuk, De minste vrede best, leefde. Wat noodwendigheid was het dat hy Lares zoo stekeligen antwoord toeschoot, daar de zinspeling geen grond van waarheid had? Want de Venusziekte had zyn neus dus wanstallig niet herschept, maar hy was met dezelve dus geboren, als my gebleken is aan zyn af beeldzel door hem zelf geschildert toen hy 17 jaren oud was.

Als hy dan te laat (als men zeit van de Mollen) oogen kreeg, en zag dat de Fortuin hem den nek gekeerd had; dat elk schuw van hem was, dat hy als een vremdeling in zyn eigen land met het oor wierd aangezien, en tot armoede verviel, wierd hy mistroostig by zig zelven, inzonderheid toen zyn Huiswaard hem somwylen lastig begon te vallen om betaling van schuld, met verwytingen dat hy zelf oorzaak van zyn ongeval was, en dat hy, als hy naar raad had willen luisteren, zulks wel had konnen voorkomen.

Meer stalen van zyn levensbedryf zouden wy konnen beschryven. Dog het zouden maar als voren bewyzen wezen van zynen weerborstigen aart. Een staal moet ik nog aanhalen, dat men zeit van de beleeftste bejegeningen te wezen die iemand

[p. 286]origineel

van hem heeft ontmoet. Zeker jong konstenaar, Janssens genaamt, had dan een stukje geschildert dat hem dagt wel het beste te wezen dat hy gemaakt had. Des verzogt hy de Witt, als een oud ervaren meester, om het zelve eens te komen zien, in verwagting dat hy zyn yver zoude pryzen, den misstand aanwyzen, en hem moed geven om daar in voort te gaan. Als het hem dan wierd voor gesteld, en gevraagt wat hy van hem dogt; antwoorde de Witt: ik denk dat gy een vergenoegt mensch zyt; om dat deeze prullen u behagen: en ging weg.

Gelyk zyne levenswyze van alle andere verschilde, zoo verschilde hy ook van andere in de wyze van sterven; want door dien de rede elk leerd, dat hy zonder zyn wil of toedoen in de waereld komt, en niemant keur, of magt gegeven is dit leven te slaken, maar dat dit van 't welgevallen des Scheppers afhangt; heeft hy zig naar allen schyn daar ontrent vergrepen, zoo uit de omstandigheden, welke op dien tyd voorvielen, als uit de getuigen, die het uiteinde beschouwd hebben blykbaar is.

Ik heb van de onlusten tusschen hem en zyn huiswaard gemeld. 't Gebeurde den laatsten avond van zyn leven dat 'er hooge woorden tusschen hun beide kwamen. Zulks de Huiswaard met een dieren eed zwoer dat hy hem niet langer onder zyn dak wilde hebben. Waar op hy opstond, en zeide: Dat hy daar al in voorzien of een middel bedagt had dat hy hem zulks niet meer zoude zeggen, en ging de deur uit. Twee van 't gezelschap die daar tegenwoordig waren ziende dat de Witt van gelaat verandert mistroostig scheen, volgden hem van verre na om te zien waar hy

[p. 287]origineel

mogt belanden, maar verloren hem door den duister ontrent Korsjesbrug uit hun gezigt. Dien zelven avond begon het sterk te vriezen, en 't ys bleef elf weken in 't water, in welken tyd niemant wist waar hy vervaren was; dan wanneer 't ys brak, werd hy ontdekt by de Haarlemmersluis. Hy werd dan opgevist, en men bevond dat hy een touw om zyn hals had, waar uit men besluit gemaakt heeft, dat hy zig aan de leuninge by het sekreet aan de Korsjesbrug heeft willen verhangen, het touw gebroken, en hy verdronken is.

Men bragt het Lichaam in 't Gasthuis, en van daar naar 't Pesthuiskerkhof, op den Overtoomzen weg, daar het begraven werd, in 't jaar 1692, in den ouderdom van 85 jaren.

Wanneer een Konstschilder door zyne levenswyze stigt, en door zyne penceelverbeeldingen t' effens 't oog vermaakt en den aandagt door waarde beschouwingen opbeurt, door voorwerpen welke leerzaam en stigtelyk zyn, zoo gaat vermaak en nut gepaart.

Beelden en Schilderyen zyn Boeken voor de leken zeit de Concieliespreuk, maar ze moeten 'er ook na wezen. Een dartel Bachus Feest, daar men de geile Satyrs volgezopen, de Veldnimfen snoeplustig ziet na jagen, om den sluyer die haar naaktheid dekt te rooven, of uit geilheid hun hoofd onder 't hemd steken, hoe konstig verbeeld, zou weinig aanleidinge geven tot godvrugtige gedagten.