De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Erasmus Quellinus]

In dit zelve jaar 1607 den 19 van Slagtmaand is dat groote licht in de Konst ERASMUS QUELLINUS tot Antwerpen geboren. Deze was eerst in talen en letterwetenschappen zoo veer gevordert dat hy Magister Philosophiae was, dog hy begaf zig naderhand tot de oeffeninge der schilderkonst, en was van wegen zyn kloek penceel en ordoneren van Historien beroemt, gelyk tot Antwerpen in de Reefter of Eetzaal van de St. Michiels Heeren, welke hy geheel beschildert heeft met Historien uit het Nieuwe Testament daar men eet en drinkt; (als onder anderen daar

[p. 292]origineel

Christus aan tafel leit en Maria hem de voeten zalft) te zien is. Deze als ook andere zinryke verbeeldingen die hy met een volgeestig oordeel, en konstige behandelinge op de voorwerpen heeft weten toe te passen, doen ons zien dat hy een groot meester in de Konst is geweest.

Dit, en niet anders heb ik van den grooten Pet. Paul. Rubbens zynen onderwyzer in de Konst konnen zeggen; ook weet ik niet dat zyne verheve Konst, die van zynen meester overkraait; gevolglyk agt ik voldaan te hebben aan den lof dien hy verdient. Waar en tegen Korn. de Bie het zeil van zynen luister zoo hoog in top vyzelt; dat het bezwarelyk den wind van tegenspraak zal konnen uithouden. Dus zegt hy:

 
Zoo dunkt my dat de geest van Zeuxis of Urbin
 
Gemengt is met de ziel in 't lichaam van Quellin,
 
Uit reden dat zyn Konst heeft zulk een kragts vermogen,
 
Of hy het eerste zog had uit Pictuur gezogen
 
Zoo wonder schemeroogt zyn Konst op 't punt van d'eer;
 
..........

Dit is onzen schryver niet genoeg maar hy vervolgt aldus deszelfs Konst ten roem

 
Daar Griekenland voor zwygt, zoo het op Konst wil stoffen,
 
En meent de waereld door zyn schilders te overpoffen,
 
Om dat Protogenes in niet een Koningryk
 
(Zoo 't scheen) in 't konstpenceel vond ymand zig gelyk.
 
Maar neen, Erasmus kan hun roemlust stil doen zwygen,
[p. 293]origineel
 
Wanneer zyn waarde hand een proefstuk toont........

Dit gaat een toon te hoog.

 

De marmere beelden (de schilderyen zyn door de tyd uitgewist) welke uit Griekenland naar Romen vervoert zyn, zyn stalen die onwedersprekelyk toonen dat de Konst te dier tyd tot den hoogsten top geklommen was.

Al 't geen d'ouden tot roem derzelve geschreven hebben voor blaaskakery te agten, en Quellinus Konst zoo hoog op te heffen, dat niets van al 't geen d'oude Konstenaars berugt gemaakt heeft daar by ophalen kan, schynt my wat naar snorkery te zweemen. Had de Bie gezeit: dat Quellinus konststukken in Konst en kragt, dat waard geschatte tafereel dat St. Lucas naar de Heilige Maria geschildert, veer overtroffen heeft, dewyl het tegen de zyne niet konde ophalen, 't waar ligter te gelooven; want het is gebeurt dat aan een konstkenner een tafereel van St. Lucas geschildert (zoo men voor gaf) vertoont wierd, die het zelve met aandagt beschouwende, eindelyk zeide: Lucas, Lucas! wat zyt gy gelukkig dat gy dood zyt; want zoo gy thans leefde, en den kost met schilderen winnen moest, gy zoud naau droog brood konnen verdienen.

Het eerstgemelde stuk van St. Lucas was in dien tyd, als myn meester S.v. Hoogstraten aan 't Hof te Weenen was, zoodanig door ouderdom uitgesleten, dat het zyne kragt byna geheel verlooren had: om welke rede Keizer Ferdinant het hem deed copieren. Maar waarom getwist? onze schryver is een Dichter, en de Latynsche spreuk van Horatius gelt hier:

[p. 294]origineel
 
........... Pictoribus atque poétis
 
Quidlibet audendi semper fuit aequa potestas.

Zyn Zoon Joannes Erasmus Quellinus was in 't jaar 1660 te Rome, toen pas 27 jaren oud, daar hy grooten opgang in de Konst maakte.

Onze Erasmus wiens Beeltenis zig in de Plaat N onder aan doet zien, heeft ook een Broeders Zoon gehad Artus Quellinus genaamt, welke de Beeldhouwers Konst oeffende. Vondel noemt hem het ligt der Beeldhouwery, en Nederlandschen Fidias, en laat zig dus op zyn Beeltenis door Held Stokkade geschildert hooren:

 
Stokkade maalde aldus de helft van 't zigtb're deel
 
Van Artus Fidias. Waarom hem niet geheel,
 
Of t'effens lyf en ziel, zyn Konst met al haar vonken?
 
Zo heeft Quellyn zig zelf in marmer uitgeklonken.

De Lezer zal ligt wel opgemerkt hebben, dat ik in 't begin van Quellinus levensbeschryving, wanneer ik den inhoud van eenige zyner penceelwerken aantoonde, gezegt heb: aan tafel leit; om aan te duiden dat de Joden voor gewoonte hadden, op bedden aan te leggen in hunne maaltyden: egter zal het niet ondienstig wezen dat myn pen hier omtrent wat breeder uitweid; op dat de schilderjeugt zig daar van bediene, wanneer zy dergelyke voorwerpen vertoonen wil, en het dwaalspoor van velen hier in myden.

Van waar, en wanneer de gewoonte van op de maaltyden aan te leggen onder de Joden ingekropen is, kan niet zeker gezegt worden. Hugo de Groot is van gevoelen dat deze gewoonte onder de Joden gekomen is, door naarvolging van de Assy-

[p. t.o. 294]origineel



illustratie

]

[p. 295]origineel

riers en Persen; want dus lezen wy Esth. 7 vs. 8. Dat Haman was gevallen op 't bedde daar Esther op lag. 'T kan ook wezen dat zulks eerst tot de Grieken, en van die tot de Joden over gegaan is. By Plato leestmen: Jongens trekt Alcibiades de schoenen uit; op dat hy aanlegge. Dus, de voeten ontschoeit, en agterwaarts van het bedde afstekende, en Christus die wyze van aanleggen volgende, is het gemakkelyk te begrypen hoe Maria de zuster van Lazarus de voeten van Christus gezalft heeft.

Wy vinden by A. Byneus een opmerkelyke plaats aangetrokken uit Aristofanes, alwaar de oude Philocleon onder andere diensten die hem bewezen wierden opteld: En voor eerst myn dochter wast my, en zalft myn voeten; en kustze nederbukkende. Dus zeit ook Lucas in zyn Euangelium Cap. 7. vs. 38. Ende staande (te wete Maria) agter aan zyne voeten, begon zy zyne voeten nat te maken met tranen, en zy droogdeze af met het hair van haar hoofd, en kuste zyne voeten, en zalfdeze met zalve.

By de Joodsche meesters word ook gewag gemaakt van 't zalven der voeten. Johannis Lichtforus heeft een plaats uit het Tractaat Menachot, waar uit dit te zien is. De Meit staat 'er, bragt een gouden vat vol oly, daar mede hy gezalft heeft zyn handen en voeten.

Wy hebben ook niet ondienstig geagt de wyze van aanleggen aan tafel aan te wyzen, door een schets getrokken uit een zeer ouden marmersteen, waar op verbeeld is een beddeke by een tafel met drie pooten, waar aan een man met zyn vrouw leggen, welke Fulvius Ursinus doet zien. En wy hebben dezelve na gebootst in de Plaat N nevens

[p. 296]origineel

de Beeltenis van Eras. Quellinus. Waar nevens wy ook een uitgedompte graflamp doen zien; ten zinteeken dat die bovenstaande konstlichten door den tyd, hun roem benydende, uitgedooft zyn.