De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jan Lievensz.]

JAN LIEVENSZ. op den 24 van Wynmaand voort. Zyn Vader Lieven Hendrikze, was een konstig Borduurwerker, naderhand een Pagter. En ziende de groote geneigtheid, en drift die zyn Zoon tot de schilderkonst hadde, bestelde hem nog maar acht jaar oud om de gronden en beginzelen dier Konst vast te leggen by eenen Joris Verschoten. Toen hy ontrent tien jaar oud geworden was, zyn Vader ziende dat hy in die drift volhardig bleef, nam besluit van hem daar in te laten voortgaan, en bragt hem by den vermaarden schilder Pieter Lastman tot Amsterdam; by welken hy twee volle jaren bleef, en braaf in de Konst vorderde.

Naa dezen tyd heeft hy de Konst by zig zelven geoeffent, gebruikende het leven tot zyn onderwyzer, en bragt het zoo veer door vlyt en naarstigheid, (en 't geluk viel hem toe) dat alle konstkenners zig verwonderden dat een jongen van

[p. 297]origineel

twaalf of weinig meer jaren, zoo veel door de Konst vermogt. In dien tyd schilderde hy den Democriet en Heracliet van Korn. Kornelisz van Haarlem na, zoo even gelyk, dat men geen onderscheid tusschen die beide konde bespeuren.

Tot een staal van zynen byzonderen yver, en onophoudelyke drift, verhaald de schryver van Leiden, dat wanneer in den jare 1618, binnen Leiden op den 4 van Slagtmaand een groote oproer ontstond tusschen de Remonstranten, Waartgelders en andere Borgers, zoodanig dat de Borgermeesters genootzaakt waren, de Schutters in de wapenen te doen komen, om de beroerte te stillen, hy met dusdanigen yver zat te teekenen, dat hy daar geen agt op gegeven had, of zig des bekreunde.

Hy heeft al vroeg fraaije pourtretten gemaakt; als inzonderheid dat van zyn Moeder Machtelt Jans van Noortzant, dat verwonderlyk konstig geschildert was: als mede fraaije ordonantiestukken. Onder deze was 'er een verbeeldende een Student, geestig van muts en kleederen toegetakelt, zittende by een brandend turfvier in een boek te lezen. Dit was levensgroot, en zoo konstig geschildert dat de Prins van Oranje 't zelve dede koopen, en vereerde 't aan den Ambassadeur van Engeland, die het wederom vereerde aan zyn Koning, die daar groot gevallen in had. Dit was ook de reden wel, als hem de geneigtheid om andere landen te bezien aankwam, dat hy zig naar Engeland begaf, daar hy wellekom was; en den Koning, Koningin, Prins van Wallis, en veel van de grootste Lords schilderde, daar hy rykelyk voor beloont werd. Dit was in 't jaar 1631. als hy ontrent 24 jaren oud was.

[p. 298]origineel

In Engeland ontrent drie jaren geweest zynde is hy wederom te rug gekomen op Calais; van daar op Antwerpen, daar hy zig neersloeg met 'er woon, en met de Dochter van den berugten Steenebeeldhouder Michiel Colyns trouwde. Vele roemwaarde groote stukken heeft hy in dien tyd voor Kloosterpapen, en byzondere persoonen, gemaakt: gelyk ook in den jare 1640, voor den Prins van Oranje, en Borgermeesteren van Leiden twee groote stukken, waar van het eene verbeeld de berugte daad van den Roomschen Scipio Africanus, daar hy de ondertrouwde Princesse hem aangeboden haren Bruidegom ongeschonden te schenk weder geeft.

Hy heeft ook de eer gehad van op 't Raadhuis te Amsterdam (nevens Govert Flink, en Ferdinandus Bol) een voornaam stuk te schilderen, daar J.v. Vondel dit volgende byschrift (door den berugte pen-en penceelschryver Koppenol daar onder geschreven) gemaakt heeft.

 
De* Zoon van Fabius gebiet zyn eigen Vader
 
Van 't paert te stygen, voor Stads eer en agtbaarheid.
 
Die kent geen bloed, en eischt dat hy eerbiedig nader.
 
Dus eert een man van staat, het ampt hem opgeleid.

Dit stuk hangt in Borgermeesters kamer voor den schoorsteen.

[p. 299]origineel

Zyn brave schilderkonst is ook door de Fenixpen van denzelven Vondel vereeuwigt. In zyne Lofdigten op Schilderyen &c. op pag. 340 hebj'er een op de beeltenisse van den Borgermeester Lamb. Reinst, en Mevrouw Alida Bikkers &c. en nog een zynde een gesprek tusschen Schilder en Poëet, op den Leeuw door hem geschildert,

 
Poëet. Wie voertme nu in een Woestyn?
 
Hier leit een Leeuw, en niet de schyn.
 
Hy vlamt op roof en Menschespieren.
 
Schild. Hy heeft zyn wilden aart verleert.
 
Zoo temt de Konst den Vorst der dieren,
 
Die over alles triomfeert.

Hy heeft ook d'eer gehad dat hy de Afbeeldingen van Michaël de Ruiter, Opper Admiraal en Kornelis Tromp, Onder Admiraal van Holland door zyn konstpenceel heeft afgemaald, op welk laatste Vondel zig dus laat hooren:

 
Als Jurk, de Britsche Turk, de Zee wil overgapen,
 
En vlooten slikken in zyn onverzade maag,
 
Dan voert hy op den mast den Bezem tot een wapen,
 
En dreigt uit nieuw Algiers de magt van s'Gravenhaag.
 
Hoe lange toch? tot dat de Zeeleeuw Tromp, verwildert
 
Getergt van wrake, met gevangens moordend bloet,
 
Een schoone waterverf, zig naar het leven schildert,
 
Om's Vaders dood ontvonkt van nimmer bluschb'ren gloet,
 
Hy vaagt in Oost en West met 's roovers bezemroeden
 
De beide straten van dit haven schennend slyk,
 
En geesselt het, dat borst en lenden vreeslyk bloeden,
 
Ter straffe van geweld, geleên in Christenryk.
[p. 300]origineel
 
Dan hoord men Askué, en Monken, en Barklaien,
 
Geweldenaren van de vrye en ope Zee,
 
Zig t' enden adem op 't schavot der baren schreijen.
 
En deerlyk jammeren om 't afslaan van den Vreê.
 
Wie beezems voeren wil, geef Tromp de roên in handen.
 
Dees voert het Scherpregt uit, in 't aanzien van twee stranden.

En 't blykt aan dit volgende vaers dat hy onder anderen ook de beeltenis van Jan Vos geschildert heeft,

 
Dus maalt my Lievenzen, om na myn dood te leeven.
 
Ik poog de dood vergeefs t' ontvlugten door myn schacht.
 
'T penceel is magtig om de verf en ziel te geeven.
 
En die de dood verwint, heeft overgroote kracht.
 
Ik word door Lievens hand onsterfelyk geschapen.

Philips Angels die in den jare 1642, het lof der Schilderkonst schreef, meld van hem met roem aangaande zyne bedrevenheid in Historykunde, pryst ook onder andere een stuk waar in hy de geschorte offerhande van Izak volgens de beschryving van Fl. Josefus, welke zeit: na Godt het voornemen van den aartsvader gestuit had, zy malkander omhelsden en kusten, natuurlyk en konstig afgebeeld: als ook zynen grooten geest, en zyne vernuftige bedenkingen die hy ontrent de verbeeldinge van Bathseba heeft doen blyken, daar hy 't alles naar de bedenkelykste wyze, en zoo als het waarschynelyk zig ontrent het geval heeft toegedragen, heeft afgebeeld. Maar hier in tast onze

[p. 301]origineel

Schryver mis, als hy ook het byvoegzel, te weten een Kupido ('t welk hy noemt het Waereldberoerend kind) in de lugt van 't stuk gemaald, met een vlammende pyl in steê van een gescherpte flits, in welkers dunne rook men de teere leden zoetelyk ziet wemelen, pryst. Aangezien dit wel een zinnebeeldige beduiding van den ontsteken minnebrand in 's Konings hart aanduid, maar die in Bybelstof nooit te pas komt. Maar 't gaat gemeenlyk als Junius zeit: Dat de Schilders en Dichters van eenen geest gedreven, veeltyds iet nieuws plagten te ondernemen. Zyn beeltenis staat in de Plaat N, op de hooge zy van Pallamedes. Volgt