De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Ferdinandus Bol]

FERDINANDUS BOL. Dezen (alzoo ik zyn geboortejaar niet heb konnen opspeuren) heb ik voeglyk gedagt agter zynen konst- en tydgenoot te plaatsen. Dordrecht matigt zig de eer van zyn geboorte, gelyk Amsterdam die van zyne opvoeding aan. Hy was twee of drie jaren oud, als hy in Amsterdam kwam, waar hy tot redensgebruik gekomen, en zig geneigt vindende tot de Konst, onder den Grooten Rembrant zig daar in geoeffent heeft. De natuur en de fortuin waren hem beide gunstig. Dus hy grooten roem, en veel geld, tot dienst van zyn ouden dag overgewonnen had; want hy stierf in een goeden ouderdom, op 't jaar 1681.

Nevens een groot getal pourtretten, natuurlyk en kragtig geschildert, ziet men ook menigte van zyne roemwaarde konststukken, zoo in Godshuizen als anderzins, die zyn konstroem wel altyd zullen schragen.

Inzonderheid gedenkt de groote Agrippyner een zyner Konstwerken, 't welke hy in zyne Lofdigten op Schilderyen enz. noemt het heerlyke

[p. 302]origineel

stuk van Ferdin. Bol, voor den doorluchtigen Zeeraat te Amsterdam, in 't Reisjagt geschildert aldus:

 
De groote Zeevoogdin bezweert den waterheilig
 
En Opperadmiraal, in haren dienst getreên,
 
Dat by de Zeevaart voor 's Lants Vrede en Vryheid veilig,
 
En zeegene den bouw en koopvaardy der Steên.
 
De Zeevoogt om dien last gehoorzaam uit te voeren,
 
Neemt daatlyk Sterkheid, en Voorzigtigheid te baat.
 
Nu durft geen rover, nog geen storm de vinnen roeren.
 
Dus groeit de handel aan, ten wasdom van den Staat.

Ook zietmen nevens het grootste gemelde groote stuk, nog verscheiden Konststukken van hem, op 't Amsterdamsche Raadhuis, als een op de Raadkamer, boven den schoorsteen, waar in verbeeld staat de verkiezing der oudsten in Israël, om neffens Jetro den schoonvader van Moses, het volk te rigten. En in der Schepenen Kamer, daar Moses de Wet in steene tafelen op Sinai ontfangen hebbende, afbrengt, en die het volk voorhoud, daar dit vaers op ziet:

 
Hebreeusche Moses heeft de Wet van Godt ontfangen,
 
Waar mede hy naar 't volk van boven wederkeert:
 
Dat hem eerbiedig groet, en welkomt met verlangen.
 
De Vrye Staat luikt op, als 't Volk de Wetten eert.

Nog een proefstuk van zyn penceelkonst ziet men in 't Borgermeesters Vertrek, waar onder meergemelde Vondel dit byschrift tot verklaringe van den inhoud gemaakt heeft:

[p. 303]origineel
 
*Fabricius houd stant in Pyrrhus legertenten.
 
Het gout verzet hem niet, door schandelyke zugt,
 
Nog Elefants gebriesch, en felle dreigementen.
 
Zoo zwigt geen man van Staat voor gaven, nog geschenken.