De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Bartram de Fouchier]

BARTRAM de FOUCHIER geboren te Bergen op den Zoom, by gelegentheid dat zyn Vader Paulus de Fouchier, die uit Vrankryk kwam om de Nederlanden te bezien, en de belegering van Oostende by te wonen in den jare 1596, komende te Bergen op den Zoom, verliefde op de Dochter van Joan Spruit die een eenige Dochter was en veelgeld bezat, en met dezelfde trouwde; uit welk Huwelyk onze Bartram ontsproot op den 10 van Sprokkelmaand 1609. die al vroeg door zyn geneigtheid blyken deed dat hy tot de Konst geboren was; waarom zyn Vader hem bestelde by den berugten Ant. van Dyk die toen te Antwerpen woonde, by wien hy zoo veer in de Konst vorderde dat hy een goed pourtret konde schilderen. Maar alzoo gemelde van Dyk door zyn veelvuldig werk, en bezoek van groote Heeren, zig zoodanig in zyn tyd bezet vond, dat hy weinig agt op zyne Leerlingen geven konde, scheide hy van hem af, en begaf zig in den jare 1634 naar Utrecht by Joan Bylaert, by welken hy twee jare bleef, wanneer hy naar Bergen op den Zoom, tot zyn ouders trok met voornemen om de Konst by zig zelven te oeffenen. Dog 't leed niet lang of de Reislust dreef hem na Rome, daar

[p. 339]origineel

hy zig naar brave voorbeelden, inzonderheid de penceelwerken van Tintoret oeffende.

In dien tyd stond het Roomsche Kerkbestier aan Urbaan den achtsten die Konstminnende zynde veel gelegentheid gaf tot het aankweken en voortzetten van jonge meesters, daar hy zekerlyk groote opgang gemaakt zou hebben, zoo niet een tusschenval hem en zynen konstgenoot Joan Frederik van Ysendoren, door een gevegt tegen twee Spanjaards, die hen voor Ketters hadden uitgemaakt, en gedreigt aan den Raad der Inquisitie aan te klagen, van dat voordeel had berooft; want zy zig hier door genootzaakt vonden Rome in alleryl te verlaten, en zig stil naar Florence te begeven, daar zy een wyl hun verblyf hielden, en hun Konst oeffenden. Van daar reisden zy naar Parys, en kort daar aan naar Antwerpen, alwaar zy afscheid van malkander namen. Ysendoren begaf zig naar Wyk te Duerstede in 't Stigt, (daar hy naderhand nog Opperschout geweest, en gestorven is in 't jaar 1684.) en Fouchier naar Bergen op den Zoom daar hy vele jaren de Konst geoeffent heeft; dog ziende dat zyne behandeling op de wyze van Tintoret geen deurgang vont, stapte hy in tyds daar van af, en schilderde gezelschappen op de wyze van Adr. Brouwer, daar hy veel beter by stond. Ook oeffende hy het glasschilderen daar hy veel geld meê won, en dus meê onder de gelukkige mag geteld worden.

Hy stierf, na hy eenige dagen ziek geweest had, en werd in de Groote Kerk van zyne geboortestad begraven in 't jaar 1674.

 

De zon in 't prilste van de lieve lent uit de blaaubenevelde oosterkim opgerezen, verbeeld de

[p. 340]origineel

jeugt; in vollen luister aan den Hemel opgeklommen, de volkome jaren van begryp en oordeel; en hellende naar de westerkim, den avond van het menschelyke leven, die eindelyk in den donkeren nagt van de dood verdwynt. De Konst heeft meê haar jeugt; dat is haar beginzel en opgang, die met de jaren aanwast, tot in hare volle hoogte, waar na zy weder, of door gebrek van kragten of oordeel, allengskens afneemt, min of meer na zy eenen korten of langen levens avond heeft. Dusdanige verschilligheid heeft men konnen bespeuren in het penceelwerk van