De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Leendert vander Koogen]

Zyn tyd-, stad-, en konstgenoot LEENDERT vander KOOGEN, af komstig van 's Moeders zyde van de Beeresteins (waar onder groote begunstigers en voorstanders van de Konst oudtyds zyn geweest, daar van Mander ook met roem van meld in zyn Schilderboek) heeft de Konst geleerd by Jaques Jordaans, tot Antwerpen.

Onze vander Koogen, van zyn meester t'huis gekomen, maakte inzonderheid konfraterschap met Korn. Bega sporende elkander aan tot den opbouw van de Konst, en zy tekenden met malkander dikwils naar 't leven. Hy had dezelve zuivere, vlakke, of breede behandeling van de teekenpen als Bega: dog kloeker, en eenen weg gearceert. Ook schilderde hy zyne Beelden grooter, en veeltyds levensgroot. Hy heeft ook eenige platen geëtst in koper, redelyk fraai en kloek maar wat ruuw op de wyze als die van Carrats.

Dog aangezien hy niet om den broode (als het spreekwoord zeit) behoefde te schilderen, heeft hy zig zelf ook niet hard aangeport, maar alleen als zyn lust hem daar toe van zelf aandreef, en dus ook zoo veel niet gemaakt dat hy buiten zyn ge-

[p. 351]origineel

boortestad Haarlem (daar hy ook overleden is in 't jaar 1681) is berugt geworden. By gevolge konnen wy weinig van hem aanschryven; dog dit zullen wy weer aan den Lezer goed maken met een vreemd potzig en geestig voorval, dat hem in zyn leven ontmoet is, daar ik zelf om lachen moet, terwyl ik het schryf.

Hy leefde buiten Huwelyk op dien tyd te Haarlem in de Schachelstraat by iemant zyner bloedverwanten in den kost, wordende van de Huisgenooten in 't gemeen Leendert Oom genoemt, gelyk men dikwils bedaagde vryers dus noemt. Wy willen hem ook voorts Leendert Oom noemen.

Wat gebeurt 'er? op een Avondstond komt zekere Juffrouw, hun allen wel bekend, aanschellen, en vragen of de Heer van der Koogen t'huis was? 't antwoord van de meid die opende was ja; waar op zy vervolgt hem wel eens te willen spreken. De meid met die boodschap agter komende, had elk straks het oog op Leendert Oom; terwyl de meid spottende (niet wetende dat zy een waarzegster was) zeide: Leendert Oom daar komt een vryster om u te vryen. Men had de Juffrouw dan in een kamer laten gaan. Leendert Oom, die wat verzet stond over dit voorval, en gehoort hebbende van de meid, dat de Juffrouw zoo net aangedaan was, wou ook zoo ongezien niet voor 't ligt komen, kemde zyn lokken uit, haalde zyn kouzen op, en streek met vinger en duim de kreuken uit zyn breeden bef, zoo goed als hy kon, trad na vore, en groette de Juffrouw. Deze wilde zoo straks haar boodschap niet zeggen, maar maakte eerst een voorbereiding, waar in zy hem vergde belofte van zwygen, en 't geen zy hem zeggen zoude aan

[p. 352]origineel

geen mensch te openbaren: 't welk hy haar beloofde. Dog onderwyl werd alles door de Huisgenooten, zonder dat zy zulks wisten, afgeluistert.

Haar aanspraak was dan dus: Myn Heer, gy zult vremt op hooren, dewyl myn bootschap heel buiten gemeen is, en hoedanige gy bedenkelyk van uw leven nooit ontmoet zult hebben. Mogelyk zal ze ook van u voor onbetamelyk worden opgenomen. Dog voor my, ik vind 'er geen onvoegzaamheid in. 'T spreekwoord zeit: 't is evenveel wie 't vraagt, als 't wel slaagt. Gy zyt een Jongman, die by my, en myn vrienden altyd voor hups en eerlyk gehouden is: gy kent my, en weet ook wie ik ben. Ik, en gy, leven beide buiten belemmeringen gerust van 't geen onze Ouders ons hebben naagelaten. Een gerust leven is een gewenst leven. Maar ondertusschen gaan onze jaren de een voor en de ander na voorby, en wy worden niet jonger of jeugdiger. Onze vrienden gaan al meê de een na den ander uit de waereld, en dat het ergst van al is, de beste sterven 't eerst, en wy missen hun gezelschap en aanspraak. Deze van onze vrienden zyn te groots om ons aan te zien, genen leven wy te lang, om dat zy graag aan 't grabbelen waren. Dit bemerkende trek ik my meer en meer van hun af; maar dus word dit leven hoe langer hoe eenzamer. Dit zoude my te eer doen besluiten een gezellig leven aan te vangen, en indien gy ook zulks van zin wierd, gy zoud my niet ongenegen vinden.

Leendert Oom, die nooit zulk een predikatie gehoord had, nog ooit een bootschap ontfangen welke zyn ingewanden zoo ontroert had, zeide, met een bevenden mond, en lillende beenen. Wel Juffrouw! wel Juffrouw dat komt my vremt voor!

Dit heb ik (antwoorde zy) voor af wel geweten,

[p. 353]origineel

en daarom zeide ik van 't eerste af dat het u vreemt zou voorkomen. Maar neem uw beraad, ik verg u niet dat gy my op staanden voet uw besluit zeggen zult. Onze staat en afkomst zal niet veel van malkander verschillen, gy kond het overleggen. 'K heb u myn hart geopenbaart, gaa gy nu met het uwe te rade: en hoe gy het goed vind, wy willen altyd even goede vrienden blyven: en gy weet de gewoone wegen, en middelen (indien gy 't goed vind) waar door die zaak moet behandelt worden, enz.

Hy meer en meer verlegen met dus onverwagt aangeklampt, en overrompelt te worden, was zoo bedeest, dat hy niet konde spreken als stamerende, en met afgebroken woorden: Wel Juffrouw! wel hoe! ik weet niet, trouwen! wel ja, ik kan 't niet zeggen. Het komt my zoo vremt en onverwagt voor.

Zy, bemerkende hoe byster zyne hersenkas door deze boodschap ontzet was, zeide eindelyk met bedaartheid en op haar vriendelykst, om hem tot bedaren te brengen, en zyn ongerustheid te stillen: dat zy niet kwam om over die zaak te besluiten, maar alleen om die voor te stellen, en dat hy zoo langen tyd van bedenken konde nemen, als 't hem goed dagt. Hier meê brak zy af, en hy liet de Juffrouw heen gaan naar haar huis.

Zoo haast hy nu agter in de keuken kwam, ging het klugtspel aan. Want zy hadden alles afgeluistert, en spotten met die vryery. Dog Leendert Oom wilde niet zeggen, hoe zeer zy hem op alle wyze zogten uit te halen, maar zat dien gantschen avond als een stokbeeld, kon ook dien gantschen nagt niet rusten, en nam vast voor zig uit dien strik te ontwarren.

'T geviel als hy voormiddaags uit ging, gelyk

[p. 354]origineel

hy gewoon was, naar de markt of elders, dat juist deze Juffrouw als of 't wezen wilde; dwars over zyn weg komt. Hy neemt kort beraad, roept, hem: hem Juffrouw. Die daar op stil staande, van Leendert Oom met bestorve lippen haar paspoort kreeg, met deze woorden: Juffrouw daar gister avond af gesproken is daar zal niet in gedaan worden. Heel wel, myn Heer, antwoorde de Juffrouw, en daar meê groeten zy malkander. 't Is zedert onder dat geslagt altyd gehouden voor een spreukje: Daar gister avond af gesproken is, daar zal niet in gedaan worden. Hier meê eindigde dit klugtspel.