De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Pieter van Laar]

PIETER van LAAR, anders Bamboots, is geboren te Lare buiten Naarden, van eerlyke ouders, die hem zedig borgerlyk en beleeft hebben opgevoed. De Zon van zyne geneigtheid straalden al vroeg door de kimmen van zyn vernuft, en de uitwerkselen zyner eerste begrippen deden al vroeg zien waar toe hy in de wieg gelegt was; want daar was niets of 't wierd door hem met kool en kryt beschreven. Van dit beginsel tot een bekwame handeling zoo van de teekenstift, als 't penceel aangegroeit (dog ik weet niet wie zyn leermeester in de Konst geweest is) had hy het geluk van zig een vast denkbeeld te konnen inprinten van alle voorwerpen, of verschynselen die hem voorkwamen. Ja 't was hem genoeg die maar eens gezien te hebben, om daar na die op zyn tyd te pas te brengen. Waarom ook de Italianen die met hem verkeert en ommegang met hem gehad hadden, naarmaals getuigden dat hy meer in zyn vernuft als op papier geschetst heeft, ja dat hy de menigvuldige schilderagtige veranderingen, die in Velden, Valeijen, Bergen, Boomen, enz. door min en meerder Zonnelicht veroorzaakt worden,

[p. 360]origineel

zoo natuurlyk in agt nam even of hy diergelyk voorwerp ten model voor zig gehad hadde.

Hy begaf zig al vroeg, eerst naar Vrankryk, en voorts naar Romen, daar hy 16 agtereenvolgende jaren gebleven heeft, yverende dagelyks tot het voortzetten van zyn Konst, dewyl hy aangespoort wierd door zoo veele fraaije voorbeelden die Romen in die tyd hadde. Waar door hy 't eindelyk zoo veer bragt dat hy op de lyst der braafste konstenaars geteld, en by hen ook om zyne welleventheid en potsemakerye gelieft wierd.

Hy was, wanneer hy aan zyne bezigheden was, stil, en zat heel opgetogen van gedagten. De reden daar van was, gelyk ik al heb begonnen te zeggen, om dat hy onder 't schilderen geen gebruik van 't leven maakte, zelf niet ontrent zyn beeltjes, maar zig van het denkbeeld dat hy daar van gevormt had bediende. Waarom hy ook gewoon was wanneer zyne geesten, door gestadig bedenken, schenen vermoeit te wezen, de zelve weder door een vrolyk deuntje op zyn viool te spelen te ververssen.

De Romeinen gaven hem ten bynaam Bambootzio, een naam daar zy zulke luiden, die zig op 't maken der Italiaansche grappen, vremden aart van buigingen of vervringingen der lichamen, en geestige figuurmakeryen verstaan, meê benoemen.

Nu had hem de natuur in zulk een vorm geschapen dat die hem maar aanzag, om zyn wanstaltige figuur moest lachen, want zyn onderlyf was driemaal grooter als zyn bovenlyf, hy had een gants korte borst daar 't hooft tusschen de schouders inzonk, en over zulks geen hals. Daar benevens was hy van een vrolyken en potsemakenden aart, gelyk wy door sommige stalen zullen aantoonen.

[p. 361]origineel

Men verhaald dat hy eens uit enkel klugt zig toetakelde met een schorteldoek tot onder de okzelen gebonden, en zig dus in een winkel daar veel gegang voorby was aan de post van de deur stelde, zoo dat die voorby gingen hem voor een grooten baviaan aanzagen, daar hy zelf hartelyk om lachen konde. Dog ik denk dat het diergelyke vernuftelingen geweest zullen hebben, als die te Amsterdam voor by een kruitmengers winkel kwamen, daar een gekleede Aap op 't venster zat, dien zy vraagden, Manneke, wat weg moeten wy gaan naar het Raadhuis?

Maar een geestiger en geloofwaadiger klugtspel door hem bedreven verhaald Joachim Sandrart in zyn Teutsche Academie op pag. 311. daar hy aldus (in 't Nederduits vertaald) zeit: Bambootzio wist zyn bovenlyf nog veel korter in te dringen dan het was, zoo dat het scheen wanneer hy danste dat het alleen een menschenonderlyf was, daar een hoofd op stond, en nogtans was hy zoo ras en gezwint met zyn lange beenen, dat het voor hem geen werk was over een ander heen te springen. 'T gebeurde op een tyd dat hy, Pouzyn, Glaude, Lorene, en ik (zeit gemelde Sandrart) uit reden om ons wat te verlustigen te Tivoli gekomen waren; en dat hy ziende een regenbuy opkomen, in aller yl zonder dat wy daar agt op gegeven hadden 't gezelschap was ontduikt, en weg gereden.

Nu gelyk hy potsig van aart was, zoo had hy wanneer hy de Poort van Romen zoude inryden zig voorover gebukt gehouden, en het paardekleed over kop en bult heen gehaald, en was dus op een galop ter stad in gereden.

Wy waren dan verlegen niet wetende waar hy vervaren was, en vraagden zoo haast wy aan de

[p. 362]origineel

Poort kwamen aan de Schildwagt, of zy niemant voor ons hadden zien binnen ryden, die tot antwoord gaf, dat hy het paart van Viterinno wel had zien loopen, dog zonder man daar op, alleen met een bedekt Valies, en weerzyds laarzen.

Des wy by malkander gekomen, t' elkens ons niet konden onthouden van te lachen, als wy'er maar aan gedagten, dat hy voor een overdekt Valies was aangezien, en de wagt dus bedrogen had. Diergelyke potsen speelde hy meer waarom elk graag in zyn gezelschap wilde wezen. Maar hoe klugtig en potsig hy was zoo zal nogtans het einde van zyn levensrol doen zien dat het zeggen van Vosmeer in Vondels Gysb. van Amstel:

 
Ik ben een Goojers Kind, vervallen in Gods toren,
 
Te Laren opgevoed;

op hem kan toegepast worden.

 

Ondertusschen verlangden zyne ouders en vrienden om hem eens andermaal te zien, en lieten niet af met brieven op brieven aan hem te schryven, waar onder ook waren eenige Hollandsche konstminnaars, die hem toonden (terwyl de faam zyn roem al had over gekraait) dat hy in Nederland immers zoo wel zoude staan met den prys voor zyn werk als te Romen. Waar op hy besluit nam om van daar te vertrekken, gelyk hy dan gevolgelyk in den jare 1639 te Amsterdam aanlande, en van daar te Haarlem by zyn Broeder, die een Schoolmeester was, ging inwonen, daar hy vele konststukken geschildert heeft, die naderhand tot een grooten prys en meer dan hy te Rome daar voor hadde gekregen werden verkogt, zulks dat zyn werk in Italien wierd opgekogt, en naar Holland ver-

[p. 363]origineel

zonden, om een, voordeel daar meê te doen. Vele stukken heb ik van hem gezien die hoewel bruin, en droevig egter heel natuurlyk verbeeld waren. Gelyk ook andere die my wonderlyk wel bevielen.

Hy schilderde veeltyds struikrooverye, en Italiaansche pleisterplaatsen. En al 't geen 'er in verbeeld was, zoo paerden als menschen, was wonder geestig van gedagten, en konstig geschildert. Verscheiden van zyne voorname stukken komen in print uit, waar onder ook een struikroovery in een rots, en de zoo genaamde Kalkoven.

Tot zyn zestigste jaar gekomen zynde, wierd hy geplaagt met een benaude borst, 't geen hem den moet uitbluste. De droefgeestigheid, daar hy zig aan overgaf, verzwaarde zyne kwaal, zoo dat hy wars van langer te leven zig zelven in een waterput verdronken heeft. Dit schynt S.v. Hoogst. niet duisterlyk te bevestigen, als hy in zyn Boek op pag. 311. zeit: dat Francisko Framenko, door Bernyn verbluft, mistroostig door middel van een strop naar 't huis der schimmen voer, daar hem Bamboots, zoo men zeit, naarmaals ging zoeken.

Dus is het klugtspel van 's mans leven in een treurgeval verkeert.

'T is gebeurt dat als Bamboots te Rome was, hy met nog vier Hollanders gesterkt, zekere Paap, (die hen bestraft en gedreigt had over het eeten van vlees in den Vasten) op een eenzame plaats ontmoetten, en den zelven in 't water smeten, daar Andr. Both mede by, en daadplegtig aan was. En het is opgemerkt, en nagespoort dat de zelve alle vyf hun einde in 't water hebben gevonden.

De nette tyd van zyn geboorte weet ik niet, maar 't een en ander dat ik van hem weet,

[p. 364]origineel

doet my besluiten dat hy al vroeg in de zesliende eeuw geboren is; want hy leefde tot zyn zestigste jaar, en in den jare 1675, als S.v. Hoogst. zyn schilderboek schreef was hy al dood, als blykt uit het even aangehaalde. Dus hy om de streek van 1613 geboren is. Zyn Beeltenis staat in de Plaat R boven aan, aan zyn opgekrulde knevels te kennen.

Deze Bamboots had ook een Broeder jonger dan hy, die zig ook in de schilderkonst oeffende, en met hem in Italien was: maar deze, wanneer hy over een brug van balken en horden gemaakt, om van den eenen rotsagtigen heuvel tot de anderen, over een kaskade, of waterval, te komen, met zyn Ezel meende te ryden, storte de zelve in, zoo dat hy verdronk met zyn Ezel.