De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Nicolaas vander Hek]

In dezen tyd, en al vroeger, was in vollen bloei NICOLAAS vander HEK, van wien van Mander op 't laatste blad van zyn Schilderboek gedenkt met deze woorden: Te Alkmaar is ook een Nicolaas vander Hek van 't geslagt van Marten Heemskerk, en Discipel van Jan Nagel, een goed Schilder byzonder in Landschappen. Van Mander heeft hier den spyker (als het spreekwoord zeit) op 't hoofd geslagen. Want dat hy een goed meester in 't schilderen van Beelden en Historien is geweest, getuigen nog verscheiden van zyne penceelwerken: Nogtans was hy grooter meester in 't schilderen van Landschappen. Tot Alkmaar op 't Raadhuis in Schepens Kamer, zyn van hem thans nog te zien drie stukken. Het eerste verbeeld den Baljuw van Zuidholland, daar hy om zyne Koedievery door bevel van Graaf Willem, bygenaamt de Goede, het hoofd word afgeslagen. In het tweede zietmen afgebeeld hoe Cambyses den onregtvaardigen Rechter levendig doet villen, en den Zoon op den Rechtstoel gezet, met des Vaders huid omhangen, doet pryken. En in het derde stuk vertoont zig de Koning Salomon, daar hy het geschil tusschen de twee Hoeren over het levende Kind beslegt, en naar rechte vonnist.

[p. 8]origineel

Ook is by Henderik Nolleman van hem een groot stuk te zien, zynde een Boerekermis, geestig van schikking en vinding van allerhande potseryen, en agter het zelve een konstig Landschap.

Tot Egmond op de Hoeve by den Heer A. le Fevre is van zyn penceel een groot Tafereel van Cebes, en in 't zelve de Beeltenis van den vermaarden Wiskonstenaar Adriaan Matius, voor wien men gelooft dat hy dit geschildert heeft. En by den Heer G. van Vladderakken, voorzittent Schepen, is een groot stuk van hem te zien, waar in zig op den voorgrond de Beeltenissen van eenig Stamhuis vertoonen. Ter regterhand dieper in 't stuk een vermakelyk Boschgezigt, en daar in verbeeld Johannes de Dooper predikende, met een menigte toehoorders; ook een stil asloopent water willende de Jordaan verbeelden. Dit alles is naar de konst zuiver, goed van houding en kragtig geschildert.

Hy was een van die, welke in den jare 1631 het Konstgenootschap van St. Lucas tot Alkmaar hielpen opregten.