De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Mathys vanden Berg]

De ervaring leert, dat, wanneer de Konstzugt in een geslagtstam ontstaat, niet zelden afzetsels van gelyken aart daar uit voortspruiten, het geen bevestigt word door de volgende Levensbeschryving van

MATHYS vanden BERG, geboren in den jare 1615.

Zyn Vader Jan vanden Berg geboren tot Alkmaar, van jongs tot de Konst geneigt, werd by Hend. Goltzius, om daar in op vaste gronden onderwezen te worden, besteld; maar dezes Vader een Schoolmeester zynde, die met 'er woon naar Braband vertrokken was, moest Jan als onderkoning met de plak het Ryk een tyd lang helpen bestieren, en het penceel voor de pen verwisselen. Egter nam hy in zyn tusschentyd de penceeloeffening naarstig waar, te meer alzoo hy gele-

[p. 16]origineel

gentheid vond om by Rubbens te verkeeren, die het Konstvuur meer en meer in hem aanstookte, en zoo veer in deszelfs gunst te dringen, dat hem die tot Rentmeester en Opzigter over zyne Landgoederen stelde, uit welken hoofde hy zig meest tot Yperen moest onthouden, daar onze Mathys geboren is, dog heeft zyn meesten levenstyd in zyn Vaders geboortestad gesleten.

Mathys dan van natuur meê genegen tot de Konst, vond door zyn Vader gelegentheid om de zelve by den vermaarden P.P. Rubbens te leeren, en werd geen van zyn gerinste Leerlingen.

Hy was een vast teekenaar, en onophoudelyk bezig, zelf tot in zyn ouderdom, met naar 't leven en de beste Schilderyen, die hem voorkwamen, te teekenen.

Dog zyn geest door 't gestadig naarvolgen van anderen verwent, was een beletsel om iets uit zig zelf te ondernemen, of eigen vindingen te maken: immers men vint van hem wel een overvloet van brave namaaksels, maar zelden iets van zyn eigen uitvindinge.

Veelmalen teekende hy in zynen oeffentyd het afbeeldsel van zynen Vader, in allerhanden stand en kleeding, waar van nog sommige teekeningen onder de Teekenkonstminnenden berusten.

Hy kwam tot Alkmaar in St. Lucas Gild op den eersten van Wiedemaand 1646, en overleed daar in den jare 1687.