De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Govert Flink]

'T volgende voorbeeld zal dit gezegde ten overvloed bewaarheden.

GOVERT FLINK geboren te Kleef, in de Wintermaand van 't jaar 1616: vond zig van het begin zyner jeugt geneigt tot de Teekenkonst. Zyne Ouders die voornemens waren een Koopman van hem te maken, hadden hem (wyl hy nog te jong was om buiten hun opzigt tot zulk beroep te bestellen) in een voorname zyde stoffe winkel binnen Kleef besteed. Maar 't leed niet lang of zyn Patroon klaagde dat hy meerder werk van Mannetjes en Beesjes op 't papier te teekenen maakte

[p. t.o. 18]origineel



illustratie

[p. 19]origineel

dan van 't geen den winkel aanging. Dus zyn Vader hem hier over met harde bejegeningen te keer ging, en zulk doen strikt verbood. Dog hy, schoon hy zyn Vader in alle andere bevelen gewoon was eerbiedig te gehoorzamen, konde nogtans in dit geval zyne geneigtheid niet bedwingen, maar dezelve groeide in tegendeel te sterker aan, te meer wyl hy kennis hadde gemaakt met een Glasschilder, dien hy, wanneer hem vryheid van te mogen uitgaan vergunt wierd, op zyn winkel ging bezoeken, zoo om hem te zien werken als ook zelfs wat te teekenen. Dit deed de zugt tot de Konst vermeerderen, en de lust tot het geen zyn Meesters winkel aanging verminderen; zulks hem de Patroon eindelyk t' huis zont, zeggende, men zouden best doen dat men van hem een Schilder maakte.

Zyn Vader die zeedig en gemaniert leefde, en Rentmeester dier Stad was, zeide: Daar bewaart my God voor, dat ik myn Zoon tot een Schilder, hoedanige luiden meest alle Ligtemissen zyn, en een ongebonden leven leiden, zoude opvoeden. Dus verbood hy zyn Zoon andermaal met goeden ernst, het teekenen geheel naar te laten, met belofte van hem eerstdaags te Amsterdam by een Koopman te bestellen.

Govert Flink, die alzins met arentsoogen werd na gespoord, vond zig nergens vry als op zyn slaapvertrek, en wel dan wanneer die van 't huisgezin sliepen. Hy kogt voor zyn speelgeld, teekengereedschap en een vuurslag, en teekende gantsche nagten naar printen, die hy van gemelden Glasschryver geleent had, tot dat zyn Vader eens in den nagt wakker geworden, eenig licht vernam, opstont, en hem in zyn doen verraste, alles aan flarden scheurde wat hy vond, en hem

[p. 20]origineel

voorts met slagen naar zyn bed dreef.

Deze onvoorziene ontdekking veroorzaakte groote droefheid in hem, wyl hy zag dat het gantsche werk, als het spreekwoord zeit, de bodem ingeslagen was, en hy geen noodklager had, dan meergemelden Glasschilder, die hem dog niet helpen konde. Maar wat gebeurt 'er na verloop van eenigen tyd tot zyn geluk? Een Lambert Jakobze, Mennonist, of Doopsgezind Leeraar te Lewaarden in Friesland, komt te Kleef prediken en zyne Geloossgenooten daar omstreeks bezoeken. Dezen beroemt om zyne welsprekenheid en ingetogen leven, gingen de Ouders van Govert Flink hooren; en waren boven maten gestigt door zyne predikinge; en hoorende dat deze hier benevens een berugt Konstschilder was, werden van geheele andere gedagten als voorheen, en besloten ter zelver tyd gemelden Lambert Jakobze te spreken; gelyk zy ook met hem over een kwamen, dat hy haren Zoon met hem mede naar Lewaarden, in zyn huis en onder zyn opzigt, de Konst zoude leeren.

Gemelde Flink heeft zedert dikwils verhaald dat hem van al zyn leven geen blyder of aangenamer tyding ontmoet was, dan toen zy hem deze boodschap bragten.

Te Lewaarden gekomen vond hy Jakob Backer een geschikt en yverig Jongman tot zyn byslaap en gezelschap in de Konst, die met hem (na dat zy nu zoo veer gevordert waren dat zy op eigen wieken konden vliegen) naar Amsterdam vertrok, daar Flink, wyl hy daar zeer welvarende Bloedvrienden had wonen, ten eersten gelegentheid vond om proeven van zyn Konst te geven. Maar alzoo te dier tyd de handeling van Rembrant

[p. 21]origineel

in 't algemeen geprezen weird, zoo dat alles op die leest moest geschoeit wezen, zou het de Waereld behagen; vond hy zig geraden een jaar by Rembrant te gaan leeren; ten einde hy zig die behandeling der verwen en wyze van schilderen gewende, welke hy in dien korten tyd zoodanig heeft weten na te bootsen dat verscheiden van zyne stukken voor egte penceelwerken van Rembrant wierden aangezien en verkogt. Dog hy heeft die wyze van schilderen naderhand met veele moeite en arbeid weer afgewent; naardien de Waereld voor 't overlyden van Rembrant, de oogen al geopent wierden, op 't invoeren der Italiaansche penceelkonst, door ware Konstkenners, wanneer het helder schilderen weer op de baan kwam.

Terwyl nu zyn Konstroem alom verspreid wierd, bekroop hem de trouwlust; des hy het oog liet vallen op een Juffrouw van een oud en geagt geslagt, welker Vader te Rotterdam Bewinthebber der Oostindische Maatschappy was geweest, en die toen met haar Moeder, die Weduw was, te Amsterdam woonde. Deze van natuur begiftigt met verstand, een aanminnig wezen, en welgeschapen lichaam, ook niet misdeelt van geldmiddelen (beminlykheden daar men 'er vier mede zou konnen uitrusten) kreeg hy tot zyn deel. Dan gelyk 'er niets bestendig op aarden is, zoo is hy ook niet lang bezitter van dit gelukkig lot geweest. Want zy kwam aan de Waterzugt, die zy voor haaren trouwdag al onderhevig was, (naar dat zy hem eenen Zoon ter Waereld gebragt had) te sterven in den jare 1649. 't geen hem in groote droefheid bragt, aangezien hy de waarde van zyn geluk uit het vermis leerde kennen, en 't zig egter als alle anderen moest getroosten. Want

[p. 22]origineel
 
Het Noodlot luisterd naar geen kermen.
 
De Dood en weet van geen erbermen.

Kort naa zyn trouwen had hy een groote schilderzaal met hooge ligten gebouwd, op welker bovenlyst de Borstbeelden der Keizeren geplaatst stonden, vorder vele fraaije afgietsels naar de geagtste marmere Antiquen, en tusschen beide met velerhande vremde gewaden, kleederen, harnassen, schieten steekgeweer behangen; als ook oude kostelyke fluweele, en andere met goud geborduurde behangsels die gekomen waren uit het oude Hof van den Hertog van Kleef: want hy was bezonder in de gunst van Willem Keurvorst van Brandenburgh en Hertog van Kleef, Grootvader des tegenwoordigen Konings van Pruissen, gelyk hy ook verscheiden stukken voor hem, (als ook zyn pourtret buitengemeen los en geestig, egter uitgevoert en dikmaal overschildert) gemaakt heeft, die den Vorst zoo wel bevielen, dat hy zyn pourtret met Diamanten omzet aan hem vereerde.

Hy genoot zedert ook veel vriendschap van Prins Jan Maurits van Nassouw Stedehouder van Kleefsland, naderhand Veldmaarschalk van dezen Staat, die hem ook dikwerf, wanneer hy te Amsterdam was, kwam bezoeken, ook zelf vergasten. Hy had ook de eer van in de gunst te zyn van vele voorname Heeren tot Amsterdam; en onder deze van de Heeren Borgermeesteren Kornelis, en Andries de Graaf, komende de laatste hem dikwils te zynen huize bezoeken; en by den eerstgemelden was hy zoo gemeenzaam in den ommegang, dat hy dikwils des avonds moede van schilderen, ongenood hem ging bezoeken. Ver-

[p. 23]origineel

mydende gezelschappen daar men onmatig dronk, kwam hy ook maar zelden in de byeenkomstplaats der schilders; en dan nog maar alleen, om dat het blyken zoude dat hy het niet versmaade, uit grootsheid.

Anderzints was hy van een vrolyken aart, en schoon hy zyn vermaak genoegzaam alleen in de Konst schepte, was hy niet wars van gezelschap: maar ontfing de genen, die hem kwamen bezoeken, minnelyk, voornamentlyk luiden van verstand en kennisse, die hy gaarne (schoon hy ongelettert was) hoorde redenvoeren.

Wanneer hy des Sondags zyn Kerkpligt waargenomen had, besteede hy het overige van dien dag, om Konstenaren of Konstlievenden te bezoeken, en wel voornamentlyk de Heeren Ontfanger Uittenbogaart, en de Schepenen Pieter en Johan Six, die naderhand vele treffelyke Italiaansche Schilderyen en ook uitnemende papierkonst bezaten, gelyk hy zelfs ook een goed getal van Schilderyen, Teekeningen en Printen van de berugte Italiaansche en andere Meesters opgegadert had, welke byzondere wyze van yders behandelinge hy niet alleen met een konstkundig oordeel menigmaal beschoude, maar ook het schoone wist uit te keuren en tot zyn gebruik te maken. Van deze Konst, wanneer die naar zyn dood verkogt wierd, zyn wel ontrent twaalf duizend gulden voort gekomen.

In zyn Weduwenaarsstaat schilderde hy nog twee Korporaalschappen van Schutters, waar van het eene nu nog te zien is op de groote Zaal nevens den Schoorsteen op de Kolveniers Doele tot Amsterdam. Dog zyn geest geneigt tot grooter ondernemingen en aangespoort door de Konst van

[p. 24]origineel

Rubbens en van Dyk, die hy te Antwerpen met veel opmerken had wezen beschouwen, wees de genen die hem pourtretten wilden laten schilderen naderhand af, naar Bartholomeus vander Helst; daar by voegende, dat die zoo wel als hy, hun genoegen zoude geven door zyn vleijend penceel.

Daar op maakte hy in het vertrek van Borgermeesteren het stuk voor de Schoorsteen daar Marcus Curius de geschenken der Samniten veragt, zig met een geregt van Rapen vergenoegt houdende. En na dit in de Raadzaal een groot stuk, verbeeldende Salomon, God om wysheid biddende. Zedert ook een ander van gelyken inhoud, maar kleinder en met minder bywerk, waar mede hy zyne Geboortestad Kleef vereerde, waar voor Borgermeesteren, Schepen en Raden van gemelde Stad hem by schriften op den 29 van Oogstmaand 1659 bedankten. In deze stukken toonde hy niet alleen hoe zeer hy de grootsheid van ordoneren maar ook de koppelinge of schikkinge der beelden, voor en boven malkander verstond, en dat hy kragt in zyne Schilderyen wist te brengen, zonder eenige bonte of harde koleuren tot behulp te nemen.

Door deze Konststukken een grooten roem bekomen hebbende, liepen nu alle zyne gedagten alleen op het maken van groote werken, gelyk hem dan ook in Slagtmaand van 't gemelde jaar 1659, door de Heere Borgermeesteren der Stad Amsterdam aanbesteed wierden, acht stukken om te dienen in acht hoeken der Galery van het Raathuis, en nog vier andere wat kleinder om in de bogen geplaatst te worden. Hier toe maakte hy reeds met veel lust en yver de modellen. In de acht groote, stonden verbeeld te worden, de oorlo-

[p. 25]origineel

gen, die wel eer de oude Batavieren onder Klaudius Civilis gevoert hebben tegens de Romeinen. En in de vier andere stukken, de vier Helden, die roemwaarde zaken ten voordeel van hun Vaderland uitgevoert hebben; als onder de Hebreen David en Simson, en onder de Romeinen M. Curtius, en Horatius Cocles.

Als nu zyn geest met de uitvoeringe dezer werken zwanger ging: beliefde het den Almagtigen dit voornemen te stuiten, door een koorts die hem overviel, waar op een braking volgde, waar door hy binnen den tyd van vyf dagen, dezer Waereld overleed, op den 2den van Wintermaand 1660, maar even 44 jaren oud.

Op deze ontydige dood speeld de Prins der Nederduitsche Dichteren (welke een vriend van Flink was, en hem dikwils kwam zien) in dat vaers dat onder deszelfs pourtret van A. Blooteling gesneden uitgaat, aldus:

 
Dus leefde Apelles Flink, te vroeg de Stad ontrukt,
 
Toen hy, behandvest van haare edele Overheden,
 
Het Heerlyk Raathuis met Historien zou bekleeden,
 
Gelykze Tacitus van ouds heeft uitgedrukt,
 
Die Romen stryken leert voor 't regt der Batavieren.
 
Bekranst dien Schilderheld met eeuwige laurieren.

Welk printbeeld wy gevolgt hebben in de Plaat B. 1.

Dezelve dichter heeft ook verscheide van zyne voorname Konststukken door een vaers vereert; als de verbeelding van de gestrenge krygsregtoeffening van Titus Manlius Torquatus op het nieuwe Raathuis ter Admiraliteit te Amsterdam.

[p. 26]origineel
 
Gestrenge Manlius gebied zyn' Zoon te regten,
 
Die tegens Vaders last den vyand heeft bestreên.
 
Het baat niet dat de Zoon verwinnaar blyft in 't vegten,
 
De strenge Vader agt geen' Zoon; nog 's volks gebeên.
 
Al word de Zegekans den vyand afgekeeken,
 
Dat baat geen dienaar, die op 's Heeren woord niet past.
 
Het Krygsregt kent geen bloet, nog luistert naar geen smeeken.
 
Zoo leert een dienaar stip te volgen 's Meesters last.

Ook op dat voornaam Konststuk van hem op de Raadkamer boven den Schoorsteen ten Noorden, meer gemeld, verbeeldende Salomon daar hy God om wysheid bid enz. dit volgende vaers:

 
Daar Salomons gebed, en offer God behagen,
 
Word hem de Wysheid's nagts belooft uit 's hemels troon,
 
Met eenen Rykdom, Eer, en welgewenste dagen.
 
Waar wysheid raden mag, daar spant de Staat de Kroon.

Hy liet eenen Zoon ten erfgenaam na, dien hy met veel moeite de oeffening der Schilderkonst belette, om dat men bezwarelyk een groot Meester word, in een Konst daar men zoo veel moet weten en waarnemen, maar kweekte hem tot de studie, en schikte hem tot de Rechtgeleertheid. Egter werd in denzelven niet gedooft, de agting en liefde voor die Konst. Want die Heer

[p. 27]origineel

de zelve van zynen Vader overgeërft hebbende, heeft by een vergaderd een Zaal met de uitgelezenste Konststukken van oude Italiaansche Meesters, als Titiaan, den ouden Palma, Permens, Carats, Guido, N. Ponzyn, als mede van A. van Dyk, Rottenhamer, P. Bril, de Ridder vander werf enz. En tot meerder luister heeft hy daar tusschen nog geplaatst verscheide opregte marmere Antique statuen; wel eer gekomen uit de Konstkabinetten van den Hertog van Buckingham, de Heeren Reinst, en Borgermeester Six. In welke te beschouwen hy, (nu ontrent 70 jaren oud geworden) zyn grootste vermaak vind. Gelyk mede in zyne met yver vergaderde Italiaansche Teekeningen, en wel de beste uit de berugte Kabinetten van de Heeren van Bergesteyn, en Zuylichem. Gemelde Heer Nicolaas Antoni Flink heeft meermaal tegens zyne vrienden verklaart dat hy moede geworden in zyne bezigheden, omtrent zaken van meerder gewigt, nergens meer door verfrist word, als met het doorzien van de eene of andere zyner Portefolien met teekeningen; waar naar hy zyne afgebroken bezigheden, als uitgerust, weder hervatten kan.