De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Ludolf de Jong]

Een dergelyk geval heeft LUDOLF de JONG, geboren te Overschie in 't jaar 1616, aanleiding gegeven tot de Konst.

Zyn Vader was aldaar Looyer en Schoenmaker, tot welk ambagt hy zyn Zoon opkweekte. Maar wanneer hy het eens verkerft, of zyn werk kwalyk gedaan had, behandelde zyn Vader hem wat onzagt met den spanriem, waar door hy opzet nam, van het ambagt niet voort te leeren. Van dien tyd af speelden zyn zinnen op de Konst tot dat zyn Vader tot Rotterdam kwam te wonen, en hy door voorspraak van andere menschen die een konstgeest in hem bespeurden besteld wierd by Kornelis Zagtleven, een fraai Schilder van Beelden, Beesten, en Spooken, welke hem in de teekenkonst onderwees. Naderhand werd hy besteld by Antoni Palamedes te Delf die een goed Pourtretschilder was, dog weinig agt op hem gaf; waar over hy misnoegt zynde, zig, zoo ras zyn tyd uit was, naar Utrecht begaf by Joan Bylaart, by wien hy zoodanig in de Konst gevordert is, dat hy van daar t'huis gekomen in 't jaar 1635, straks ondernam met eenen Frans Bacon 19 jaren oud zynde een reis naar Vrankryk te doen, alwaar hy zeven agtereenvolgende jaren bleef, en ligt langer zou gebleven hebben, ten waar hem zyn Vader, ter oorzaak dat zyn Moeder geduurende dien tyd ziekelyk was, had t'huis ontboden. Hy

[p. 34]origineel

gehoorzaamde en kwam t'huis, dog was in dien tyd de Duitsche taal zoodanig ontwent en vergeten, dat zyn Ouders genootzaakt waren eenen die zig der fransche taal verstond te halen, en dus met hem te spreken.

Zedert dien tyd heeft hy te Rotterdam vele Beeltenissen der voornaamste luiden van die Stad gemaakt, en door zyn hups gedrag, en Konst, veel vrienden verkregen. Hy kwam naderhand te trouwen met de Dochter van Pieter Montagne die na bevriend was met verscheide Heeren van de Regering van Rotterdam en Schoonhoven, waar door hy begunstigt wierd met het Majoorschap der Stad Rotterdam, 't geen hy tot het jaar 1664 heeft bedient. Ondertusschen bleef het konstvuur in hem levendig, zoo dat hy in dien tyd een groot pourtretstuk voor de Schuttery maakte dat heden nog in de Stads Doele kan gezien worden, hangende op de Princekamer, welk het vermogen van zyn penceelkonst te kennen geeft.

Naderhand wisselde hy het Stads Majoorsampt voor het Schoutsampt van Hillegersbergh het welke hy tot groot genoegen der ingelanden bedient heeft tot het jaar 1697 wanneer hy stierf.

Behalven vele Beeltenissen van levensgroote welke hy gemaakt heeft tusschen de belemmering van zyne bedieningen, heeft hy ook verscheiden Moderne Kamerstukken, Bataljes, Jachteryen enz. waar zyn lust op viel, uit enkel vermaak met roem geschildert.