De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Pieter de Mooge]

Hem volgt PIETER de HOOGE, die uitmuntend is geweest in 't schilderen van Kamergezigten, en daar in Gezelschapjes van Heeren en Juffrouwen. Hy heeft eenigen tyd by (den berug-

[p. 35]origineel

ten) N. Berchem geleerd, te gelyk met Jakob Ugtervelt, die zig alleen genoegde dat hy natuurlyk en uitvoerig kleine gezelschappen van Juffertjes en Heeren, of een Vrouwtje dat zit te naaijen, of te speldewerken schilderen konde, zonder veel doorzigtkunde tot zyn agterwerken te gebruiken, 't geen een maatkundig oordeel en naauwe opmerking vereischt.

 

Tot den jare 1604 heeft van Mander, van Hend. Goltzius, (zynde toen een man van 46 jaren) en zyn waarde Penceel- en Graveerkonst naar verdienste gesprooken.

De agting die ik 's mans werk toedraag, en de wyze van schryven die ik my heb voorgestelt, gebieden my ook de gedagtenisse van 's mans sterftyd op 't jaar 1617, door het vertoonen van zyn Grafschrift te gedenken.

EPITAPHIUM.
M.S.
HENRICO GOLTZIO, VIRO INCOMPARABILI, CHALCOGRAPHO EXCELLENTISSIMO, PICTORI CELEBERRIMO, ATEVE ADEO OMNIS ARTIS GRAPHICAE PERITISSIMO, MARGARETA JOH. FIL. MARITO SUO CONJUNCTISSIMO, CUM QUO HARLEMI VIXIT ANNOS XXXVI. ET FRATRI SUO CARISSIMO JACOBUS GOLTZIUS MONUMENTUM HOC FIERI CURARUNT.
[p. 36]origineel
JACOBUS MATHAM VITRICO SUO OPTIME DE SE MERITO AERI INCIDIT SCULPSITQUE GRATITUDINIS ERGO. OBIIT HARLEMI AN, ciɔ. iɔc. xvii. i. JANUARII. AETAT, SUAE LIX.

J. van Vondel, doet de zark van H. Goltzius, dus tot D. Mathan spreken.

 
Wie helptme nu een Grafsteê bouwen,
 
En Konstig op het marmer houwen,
 
Uw Grootvaârs heerlykheid en Kunst,
 
Die naar zig trekt een yders gunst.
 
Ja teffens oog en hart der Grooten
 
Uit bun doorluchte en hooge slooten?
 
Het doet van verre d' Afgunst wee
 
Dat Bajervorst en Borrome,
 
Ten roem van Henriks duim en ving'ren
 
Medalje en goude ketens sling ren.
 
Om zynen hals, enz.

Ik dagt dat zyn Stads Schryver van zyne Konstwerken, na den jare 1604 (want hy zig daar in tot het einde van zyn leven bevlytigt heeft) iets zou hebben gemeld; maar ik sloeg dat boek te vergeefs op. De Schryver heeft verzuimt die schoone paerel aan Haarlems Stedekroon te vlechten.

Heeft Athenen oudtyds by alle andere Griekse Steden gestoft dat zy ten wieg verstrekt heeft van zoo menigen vernufteling, zoo konde Haarlem ook oulings boven andere Steden van ons Gewest roemen op het voortbrengen van Konstschilders, zoo niet door verzuim, of gebrek van agtinge voor die Konst, die luister harer Stedekroon, door haren Stads Historieschryver waar afgevaagt. Dank heb-

[p. 37]origineel

be de Schryvers van Delft, Gouda, Leiden en Amsterdam, welke genoegzaam getoont hebben (het geen aan hunne wyze van schryven te zien is) dat zy byzondere agtinge voor de Konstenaren, en hunne roem waardige werken hadden, en dat het een eer hunner Stad was Konstenaars te hebben voortgeteelt. Maar wat nut geeft het dat Sam. Ampzing een gantsche lyst van konstschilders met hunne enkele namen even als Aterlingen, en of zy Moer nog Vaar gehad hadden optelt? had hy ten minsten, als men in de Godshuizen nog wel doet, het jaar hunner vondelingschap aangeschreven, men had nog iets tot aanleiding van verder onderzoek gehad. Ongelukkige Lievelingen van Pictura! was het den Schryver niet eens de pyne waard, dat hy om uw eens de pen versnee? Had hy dan maar zoo veel van u, als van de Weevers en hunne Weevery gezeit, zoo had ik u by de Konstschilders een plaats konnen inschikken. Want van hun en hunne beroemde werken melt de Schryver op pag. 342. dus: Daar werd in 't jaar 1598 een stuk Lynwaat tot Haarlem voor* 14 Gulde de Vlaamsche Ell verkogt om naar Vrankryk te ver-

[p. 38]origineel

zenden. En nog een Webbe van 75 Ell Hollandse maat is naar Spanje verzonden, welke maar 3 pond woeg. Nog in den jare 1606, den 16 van Oogstmaand is 'er nog iets zeldzamer gebeurt. Een welbekende Borger dezer Stad Jakob Janzen Smuisers genaamt, thans woonagtig op de Beek, op den hoek van de Warmoesstraat, verruilde in 't gemelde jaar aan eenen Passchier Lamertyn een stuk Lywaat zoo fyn als ooit te voren gezien was, 50 Ellen lang, voor 45 okshoofden van den besten Wyn Court, het welke ongelyk meerder bedroeg dan het bovengemelde: en dit stuk NB. was geweven van eenen Govert Willemzen toenmaals wonende in de Barrevoeterzusteren steeg, en koste 200 Guldens van Weefloon. Het garen was zoo fyn, en strekte zoo verre, dat van een loot gewigts, meer dan vysvierendeels lakens was geweven. Wat dunkt u, Lezer, van zoo een naauwkeurig Schryver? zou men zig niet verbeelden mogen, dat men breed van de Konstenaren by zoo een Schryver zou geboekt

[p. 39]origineel

vinden; die zig zoo breed over 't Wevers ambagt uitlaat? maar wat mag ik zeggen van Wevers ambagt? ik zou het Eerdicht op de Wevery gemaak in 't jaar 1580, (en op een der hoofdpylaren van een der Kerken tot Haarlem met groote vergulde letteren geschreven) daar door te kort doen; dewyl het met aangewezen Texten uit de H. Schrift toont dat het een Konst is. Wy hebben om 't oud Referein 't der klugt waardig geagt om naa te schryven.

 
In Moyses tyden over menige jaren
 
Heeft die Konste van Wevery al gefloreerd,
 
1Bezaleel en Aha iab getrouwe dienaren
 
Door Gods geest gedreven hebben 't zelfs geuseerd,
 
Gevorderd, benaarstigd, ook daar mede gestoffeerd
 
's Heeren Tabernakel (zoo staat 'er geschreven)
 
Alderley sydwerk Konstig gefatsoeneerd
 
Is eerst deur den spoel doen verheven.
 
En behalven deze ging ook tot het Weven
 
2Tobias Huisvrou, om haar kost te winnen
 
Met haar handen, zonder haar te begeven
 
Tot loch of bedroch zo wy bevinnen,
 
En noch meer andere, die wel konden verzinnen
 
Dit Godlyk gebod (datmen wel mag groot heten)
 
3In 't zweet uws aanschhyns suldy uw brood eten.

Had onze Schryver nog van diergelyke Weverye en Weefwerken gesproken, waar van boven in 't rym gemeld word, 't waar eenigzins te verschonen; schoon die behandeling maar een hantwerk, en geen konst genoemtmag worder, want de

[p. 40]origineel

welstant, en goede schikking van een tapyt alleen afhangt van een goed patroon, dat door 't penceel voor af gemaakt moet worden.

Wy besluiten (al lang genoeg van de Wevery) dat wy de gedagtenisse van de Haarlemsche oudtydsche Konstschilders, aan niemant meerder dan aan van Mander verpligt blyven, wyl al wat de Schryver van de zelve met opmerkingen van den tyd zegt, van woord tot woord uit van Manders Schilderboek gevolgt is.