De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Philips de Koning]

PHILIPS de KONING geboren tot Amsterdam in 't jaar 1619, op den 5 van Slagtmaand, heeft de Konst geleerd by den vermaarden Rembrant van Ryn.

J. van Vondel verscheiden malen door hem naar 't leven afgeschildert, maakte op zyn eigen Afbeeldzel dit nevensgaande vaersje:

 
Zoo schildert my een Konings hand
 
In 't kleen, terwyl ik's Konings snaren,
 
En heilig Harpgezang, en trant
 
Vast volge, in top van's levens jaren,
 
Een min dan seventig. Wat is 't?
 
Nog min dan verf, een damp, een mist

Dus ook Jan Vos op dezelve Beeltenis:

 
Nu Koning Vondel maalt, den Koning der Pocëten,
 
Is hy ook Koning in het treffen van zyn beeld.
[p. 54]origineel
 
Wie 't leven treft, betoont zig d' omtrek regt te weeten.
 
Hoe loont hy Koning best, die hem uit verwen teeld?
 
Met vaarzen die een kroon vol paarlen overhaalen.
 
Wie verf tot menschen vormt is kwalyk te betaalen.

Menigte Pourtretten, Historien waard te vereelden en zinryke vertoonzelen heeft zyn vermaard penceel in de Waereld gebragt, die tot zyn roem na blyven. Meer gemelde J. van Vondel, Vader der Nederduitsche Dichtkonstoeffenaren, heeft op sommige zyner voornaamste tafereelen, als op de afbeelding der Hoogleede Maria van Outshoren, en Juffr. Marg. van Ryn; gelyk ook op de berugte slapende Venus Lofdichten gemaakt. Het laatste dagt ons de moeite wel dubbeld waard van uit te schryven, aan gezien Vondel niet alleen in het zelve als een schilder van 't schilderen spreekt; maar ook al van Koning Konst zeit wat 'er van gezeit kon worden, en dus my daar in heeft voor uit geloopen, en van die moeite ontlast.

Hy pryst het schoone in de Konst door eigen konstwoorden en uitdrukkingen, en toond hoe hy de kragt in zyne werken door klaarheid in steê van 't naare zwart bewerkte; in welk opzigt hy zyn meester Rembrant van ter zyde een streek geeft, die niet tegenstaande zyne beelden op den voorgrond van zyne tafereelen in klaren dag stonden, zig niet ontzag (tegens de natuur aan) de lucht van agteren in eenen duisteren nagt te verkeeren. De Lezer zal den steek, in 't volgende gedicht op de slapende Venus, wel ontdekken.

[p. 55]origineel
 
Men brogt, toen lust en konst in 't renperk t' zamen liepen,
 
De schaduwe en het licht op doeken en paneel.
 
'T een steekt op 't ander af. De schaduwen verdiepen.
 
Het licht verheft zig uit het duister. 'T eene deel
 
Behoeft het andere. Het voorste staat in d'oogen
 
Heel sterk, en 't agterste verschiet voor ons gezigt.
 
'T gelyken van dees beide is van een groot vermogen.
 
De dwerg vergroot den reus, de hut een hoog gestigt.
 
Dus baart de Schilderkonst ook zoons van Duisternissen,
 
Die gaarne in schaduwe verkeeren, als een Uil.
 
Wie 't leven navolgt kan vercierde schaduw missen,
 
En als een kind van 't licht gaat in geen scheemring schuil.
 
Hy schildert zonder schim en schaduw. Zoo volgt Koning
 
De heldere natuur: en vraagt men waar dit blykt?
 
Bezie dit heerlyk stuk, de levende vertooning
 
Van Venus, die hier slaapt, en geen schild ry gelykt,
 
Nog verf, maar Vleesch en bloet. Jupyn komt neêrgestegen,
 
Verslingert op het schoon van een volschapenheid,
 
Niet in zyn eigen schyn, maar als een goude regen.
 
Heeft Zeuxis kloek penceel de Vogels zelfs verleid,
 
Hier word het hoofd der Goôn door schildery bedrogen.
 
Zoo word de Schilderkonst allengs in top voltogen.