De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[David Beck]

Zoo eenige Stad in Holland mag trots wezen, om dat zy ten wieg verstrekt heeft van doorluchtige mannen, zoo mag het Delf wezen, om dat zy buiten andere vernuftelingen ook de Waereld door berugten

DAVID BECK, gebentnaamt den Gulden Scepter, uit haren schoot heeft voortgebragt. Deze geboren op den 25 van Bloeimaand des jaars 1621 werd genoemt naar zyn Vaders broeder, die een braaf Dichter in dien tyd was, en tot Aarnhem in Gelderland overleden is.

Hy heeft nevens anderen ook den beroemden Ant. van Dyk, Ridder en Schilder des Konings van Engeland, tot leermeester gehad. Zyn braaf penceel en wellevenskonst maakten hem by de meeste grooten van Europa geagt: gelyk hy in gunst raakte by Koning Karel den eersten, wiens Zoon Karel den tweden, den Hertogen van Jork en Glochester, als ook Prins Robbert, hy in hunne Jeugt heeft onderwezen in de Teekenkonst. Daar na quam hy in dienst van den Koning van Vrankryk, ook van Denemarken, en eindelyk van Koningin Kristina van Zweden, die hem inzonderheid boven anderen beminde, verscheide geschenken gaf, en hem haren eersten Kamerheer maakte. De Vrouwen (zegt de spreuk) hebben de Mannen lief, en zy weten waarom.

Hy nam in dien tyd voor, als haar Majesteit een speelreis na Vrankryk doen, en te Parys eenige tyd vertoeven zoude, een reis naar Holland te doen. Hy nam tot dien einde oorlof van haar, onder voorwending van zyne vrienden te willen bezoe-

[p. 84]origineel

ken welke hy in vele jaren niet gezien had, en na welke hy verlangde. Maar men zeit dat zy die voorwending verdagt hield, en geloofde dat hy zogt heen te gaan om nooit weder te keeren, gelyk ook gebeurt is; want hy op den 20 van Wintermaand 1656 binnen 's Gravenhage (niet buiten vermoeden van vergif gedronken te hebben) kwam te overlyden.

In dienst zynde van zyn Koningin heeft hy Italien, Spanjen, Vrankryk, Engeland, Denemarken, en alle Hoven van Duischland bezogt, om alle Potentaten en Doorluchtige Persoonen voor haar uit te schilderen, dien zy dan haare Beeltenis uit glorie van bekent te willen wezen, door onzen David Beck geschildert deed aanbieden. Op welk doen de groote J. van Vondel dit vaers gemaakt heeft.

 
De liefde tot de Konst luikt op met grooter hope
 
Van eer en prys, nu Becks de Vorsten van Europe,
 
Uit last der Koningin, door zyne Konst herteelt,
 
En hun Christyn vereert, in haar onsterffelyk beelt.
 
Zoo word Gustavus bloed, van Hof, tot Hof geboren.
 
Wie klaagt dat aan deês verf en wissel word verloren?

Dit doen leide hem, als het spreekwoord zeit, geen wind eyeren, maar bragt hem wel blinkende voordeelen by. Zyn vrienden getuigen dat hy door deze voordeelige gelegenheid negen goude ketenen en Medalien te schenk van Koningen en Vorsten gekregen had, en onder die een van zyn Koningin. Zeker die groote Vrouw deed veel om naam te maken. Zie hier Lezer (gemeene kost is by wylen zoo smakelyk als de kostbaarste) een gering staal. In de Stad St. Gewer, in 't Graafschap Hessen, had

[p. 85]origineel

men outyds voor gewoonte (en somwyl nog) dat men den vreemdelingen een koperen Halsband, van Keizer Karel daar toe gegeven, wanneer zy aan den waterkant geleid worden, daar de zelve vastgehegt is, om den hals slaat, en daar op vraagt: of zy met Water of met Wyn willen gedoopt wezen? Die 't water begeren, krygen onvoorziens een emmer vol daar van over 't hoofd. Dog die wyn eisschen geven daar toe een stuk geld. De Koningin Kristina daar zynde gaf tot dit gebruik een konstig gedreven zilvere schaal of beker, waar door haar mildadigheid gemeld word, zoo lang dat gebruik stand houd.

Maar laat ons weder tot onzen David (wiens Beeltenis in de Plaat C. 2. staat) komen.

Van hem word getuigt dat hy zoo ongemeen vaardig was in 't schilderen, dat de Koning van Engeland, boven gemeld, eens tot hem zeide: Beck, 'k geloof dat gy te Paerd zittende zoud konnen schilderen.

In den jare 1653 te Rome zynde, werd hem door de Bentvogels, (ik wil hen liever noemen opsnappers, want hy zelf was de Bentvogel dien zy plukten) groote eer bewezen, 't geen blykt uit den staart van 't Vaers 't welk zy op zyn Doopmaal uitgalmden. Doe daar by dat zyn Bentnaam door zestig handen was ondertekent, zoo kond gy staat maken wat hem dit smulmaal kwam te kosten. Zie hier de Kopy van 't Vaers:

 
Uw vriendelyk ontmoet, en uw beleefde reden
 
Die wyzen duidelyk, dat gy zyt de Persoon,
 
Die menig heeft vertoont, de Koningin van Zweden;
 
Door uw vermaard penceel, zoo waardig by de Kroon.
[p. 86]origineel
 
Wat staat ons nu te doen? dat wy u gaan er kennen,
 
In de Romeins 'Bent, met eenen nieuwen naam,
 
Die als op vleugels door de Waereld zal gaan renmen;
 
Dit 's 't algemeen besluit: Wy roepen al te saam.
 
Viva de Gulde Scepter.

Den 7 van Wintermaand 1653. Hy was een schoon en wel gemaakt Persoon, dog niet kloek.

 

Ik heb in het eerste Boekdeel op pag. 333 gemeld van den potsigen Adriaan Brouwer, dat hy twee maal begraven wierd. Maar van David Beck werd verhaald dat hy tweemaal gestorven is, en wilje weten hoe? Hy, reizende door Duitsland werd door een onvoorziene ziekte beloopen, die hem in dusdanig een langwylige slaaute bragt, dat 'er geen ander besluit van te maken was, dan dat hy waar overleden. Over zulks werd hy, gelyk gewoonlyk geschied, uitgetrokken, en uitgestrekt op zyn ledikant geleid. Wat gebeurt 'er? zyne twee knegts zitten in 't zelve vertrek, en spoelen met een glas wyns de zwarigheid van hun hart. Onder 't over en weer drinken zegt een van deze, ligt wat kortswylig en wulps van aart, dat wy 't onzen Heer ook eens presenteerden, hy heeft het in zyn leven zoo wel gelust, en staat met een op en duwt hem den roomer met wyn aan den mont. Door den reuk van den wyn (naar allen schyn) wat tot zig zelven gekomen, opent hy zyn lippen en slurpt een weinig daar van in. De knegt dit ziende verzet zig daar niet over, maar zeit tegen zynen makker, kyk, onzen Heer lust ook wyn na zyn dood, en zet hem het glas andermaal aan den mont, waar uit hy

[p. 87]origineel

een goeden teug deed, op dien zelven stond bekwam; en jaren na dien tyd leefde.

Dit zeltsaam voorval zoude ik zoo ligt niet voor waarheid aannemen, ten zy 'er diergelyk niet in myn geslagt waare voor gevallen. Myn Grootvader van Moeders kant, en waar na ik ook vernoemt ben, wonende te Utrecht, op den Steenweg, in 't Blaau Rokje, kwam in den ouderdom van 17 jaren (zoo 't aan yder die daar tegenwoordig waren toescheen) te sterven: werd gevolgelyk uit getrokken, op stroo geleid, en de Vrysters in de buurt in geroepen, om het Lyk (volgens dies tyds gewoonten) met Palm, Laurier, en Bloempjes toe te maken. En men was al bezig om een krans tot zyn hoofd te vlegten, wanneer zy het stroo hoorden ritselen, en hem die zy meenden dat dood was, zagen de gordynen open schuiven, waar door zy alle van schrik over hoop vielen. Straks de bloemen weg, en hem warme wyn ingegeven, voorts in een gewarmt bed geleid, waar door hy bekwam; gelyk hy ook naderhand getrouwt is geweest, en zeven Zonen en drie Dochters heeft gezien.