De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Simon Peter Tilmans]

Breemen heeft ook al vroeg geheugniswaardige Kostenaars uit zynen schoot zien ontspruiten: onder deze word een braaf Historieschilder, door de wandeling Quant genaamt, geteld. Deze schilderde in 't jaar 1620 de zoldering der zoogenaamde Gulde Kamer van het Raathuis als ook verscheiden groote Konstwerken, die nog in de oudste Stamhuizen tot Bremen gezien konnen worden. Ook een SIMON PETER TILMANS, Schenk gebynaamt, een braaf Landschapschilder en die vele jaren zig in Italie had geoeffent. Dog dees begaf zig naderhand tot het schilderen van pourtretten, daar hy zoo uitstekende in werd dat hy nevens de besten van zyn tyd mogt gestelt worden, gelyk hy ook de eer gehad heeft dat hy de Beeltenis van Keizer Ferdinand tot Weenen geschildert heeft.

Deze had ook een Dochter die de Konst oeffende. Ik heb Landschappen, Beeldjes, inzonderheid Bloemen van haar gezien, die uitvoerig naar 't leven met waterverf geschildert waren.

Zyn Beeltenis door Chr. Hagens in koper gesneden 1668, toen hy 67 jaren oud was, gaat in print uit, waar onder staat,

[p. 89]origineel
 
Dit 's Tilmans beeltenis, die boogden op geslagt,
 
Nog roem; maar d'eer van God: de rest als niet geagt.

Waar van wy ons hebben bedient in de Plaat C. 3.

Hendrik Bokelman Koopman tot Amsterdam is zyn Dochters Zoon.