De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Vaillant]

Thans verschynen op onzen Schouburgh WALLERANT, JAN, BERNARD, JAQUES, en ANDREAS VAILLANT.

WALLERANT VAILLANT, geboren tot Ryssel in 't jaar 1623, heeft de schilderkonst geleerd tot Antwerpen, by Erasm. Quellinus, en kwam door ongemeenen yver tot de zelve zoo ver, dat hy geroemt werd voor een braaf pourtret schilder en konstig teekenaar met Crajon; dog hy leerde dit aan zyn Broeder Bernard, nadien hy genoeg te doen had met schilderen op doek en paneel.

Als Leopoldus te Frankfort tot Keizer gekroont werd, trok hy daar na toe, en vont gele-

[p. t.o. 102]origineel



illustratie

[p. 103]origineel

gentheid om de Beeltenis des Keizers, nevens verscheiden Ambassadeurs, en Princen van 't Duitsche Ryk, welke by de krooning tegenwoordig waren, te schilderen, daar hy veel roem en geld door won. Zyn beeltenis staat in de Plaat E. 2.

Van daar nam hem de Marschalk Grammont onder belofte dat hy hem den Koning zoude doen schilderen, meé naar Vrankryk, dat ook geschiede, en om dat het stuk den Koning zoo wel beviel, schilderde hy ook la Reine Mere, den Hertog van Orleans, en alle voorname Heeren van 't Hof; by bleef daar vier agtereenvolgende jaren; waar na hy zig tot Amsterdam neerzette, daar hy een groote meenigte pourtretten gemaakt heeft, daar men 'er niet zelden nog van ziet, die konstig geschildert zyn.

Hy was ook een groot yveraar in 't voortzetten en verbeteren van de Schraapkonst, of Swartekonst, die hy van Prins Robbert, groot Admiraal van Engeland: die het zelve uitgevonden heeft, geleerd had, onder belofte van het zelve aan niemant anders voort te leeren, gelyk hy ook getrouwelyk na kwam: maar alzoo hem het gronden dier kopere platen te lastig viel, nu aan zeker arm eerlyk man veel goed deed, als ook des zelfs Zoon uit medelyden tot zyn knegt gebruikte, onderwees hy deze oude man, hoe de kopere platen te bewerken. De Zoon dit bemerkende dwong den oude man door bedreigingen dat hy van hem wilde wegloopen, indien hy hem zulks niet openbaarde, en liet zien, het geen den goede man (hoe noode) eindelyk deed. Zoo ras de Zoon de gereedschappen gezien en een begrip van de behandelinge dier nieuwe Konst had, bediende hy zig tot zyn bederf daar van; want hy veilde deze

[p. 104]origineel

Konst aan elk een voor geld, daar veelen lang na gedoeld hadden. Maar alzoo die knaap niet gewoon was veel zilvermunt te handelen, verviel hy tot dronkenschap, verwkisting, en eindelyk tot de uiterste armoede, en maakte dat die Konst, daar yder zoo gretig naar was, nu de zelve gemeen werd, weinig geagt wierd. En dus gaat het omtrent alle zaken. Men heeft meerder agting voor de zelve, terwyl men die begeert, dan wanneer men dezelve verkregen heeft. Dit doet my denken aan de spreuk van Koningin Elizabeth. Deze van wie gezeit werd: Dat de maagdom de allertwyffelbaarste was van alle hare boedanigheden, zeide eens aardig tegen den Hertog van Alençon, in wien zy de verbeelding van met haar te trouwen, door hem tot de voorbereidzelen daar van toe te laten, niet weinig had gevoed: De dingen waar na men de grootste begeerte heeft, verminderen van waarde, wanneer men de zelve verkrygt.

JAN VAILLANT, die van zyn broeder Wallerant, welke in den jare 1677 tot Amsterdam overleed, de schilderkonst geleerd had, reisde naar Frankfort, daar hy kwam te trouwen, waar door hy gelegentheid kreeg om koophandel te dryven, en verliet dus de oeffening van 't penceel.

BERNARD VAILLANT, die van zyn broeder Wallerant altyd op zyn reis verzeld was, word inzonderheid geroemt om zyn konstig en kragtig Craijoneren. Hy begaf zig met 'er woon tot Rotterdam, dog is heel onverwagt, tot Leiden zynde, gestorven. Hy was een man die godvrugtig leefde, gelyk ook van Wallerant getuigt word, en diende te Rotterdam voor Diakon van de Walsche Kerk.

[p. 105]origineel

JAQUES VAILLANT, die ook de Konst van zyn oudsten broeder geleerd had, vorderde door yver zoo veer in 't schilderen van Historien, dat de Envojé van Brandenburg, ziende eenige van zyne penceelwerken, hem meê lokte naar Berlyn, daar hy schilder van den Keurvorst werd, die groot genoegen had in zyn Persoon en Konst. Hy werd van den Keurvorst gezonden naar 't Keizerlyke hof, om des Keizers beeltenis te malen, die hem een goude Medalje met een keten tot een geschenk gaf. Weder te rug gekomen tot Berlyn, is hy gestorven, en liet van wegen zyn hups gedrag en Konst, veel roem na.

Ik had byna vergeten te melden, dat hy door zynen reislust gespoort, twee jaren zoo te Rome, als andere Steden van Italien, om de Konstwerken der ouden berugt, in het oeffenen zyner Konst heeft doorgebragt: en dat de Bent hem den Leeurik gedoopt had. Zyn beeltenis staat in de Plaat E. 3.

ANDREAS de JONGSTE, na dat hy mede door zyn oudsten Broeder in de Teekenkonst onderwezen was, kreeg geneigtheid tot het leeren der Graveerkonst, tot welken einde hy zig twee jaren tot Parys by een voornaam meester in die Konst onderwyzen liet. Van daar is hy gereist naar Berlyn, om zyn broeder Jaques te bezoeken, en stierf daar in 't prilste van zyn Lenteleeven.

De brave penschryver de Bruin, tot Amsterdam, heeft ten huisvrouw de zuster van dezen Konstschilders.