De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jakob Lavecq]

JAKOB LAVECQ geboren te Dordrecht (maar in wat jaar daar heb ik niet konnen agterkomen, wyl 'er niemant van zyn geslagt meer overig is) was Jongman en hield huis met twee meiden, wyl hy nog een halven broeder, die blint was, hadde op te passen. Zyne Ouders hadden hem een fraai kapitaal naargelaten, maar na 't my roescheen (dewyl hy meer van gezelschap als van schilderen hield) was het met zyn reis in Vrankryk vry wat gesmolten. Hy had de Konst by Rembrant geleert, maar in zyne reize die handeling laten varen en zedert zig geheel tot het schilderen van pourtretten, vry wel zwemende naar die van de Baan, begeven. Hy hadde nog een stuk schildery van zyn eersten tyd in zyn huis, daar de handeling van Rembrant zoo wel in was waargenomen, dat men het voor een stuk van Rembrant zou hebben aangezien. Hy kwam (ik weet niet: by wat gelegenheid) aan myn Ouders huis in dien tyd als ik van Drillenburg af was, en by my zelven zonder onderwys teekende. Hy zag myn werk, en oordeelde dat ik in de Konst behoorde voort te varen, daar myn Vader straks zyn zegel aan hing, en verdrag maakte, om onder zyn opzigt in de Konst voort te gaan, gelyk geschiede. Maar het ongeluk wilde dat hy na verloop van ontrent negen maanden kwam te overlyden, en ik dus voor de tweedemaal buiten onderwys was. Ik werd bevoordeelt met een derde van zyne printkonst, maar de onkunde deed my een dwaze keur doen; want in steê van fraaije Italiaanse of Franse printen tot myn deel te verkiezen, viel myn oog op printjes van Lucas van Leyden, en Albert Du-

[p. 154]origineel

rer, daar ik geen dienst van konde hebben; en het is alleen by zeker toeval gebeurt, dat ik nog een Fransche Konstprint heb onder de deeling uitgekeurt, die de beste plaats in myn Konstboek heeft, zoo om dat zy dient tot gedagtenis van myn meester, als om hare deugt en zeltzaame waardy, want ik nooit lief hebber van printen heb ontmoet die de zelve meer gezien heeft, of hy heeft ze geprezen. 'T is geordoneert van C. le Bruin, en gesneden van F. de Poilly. Men ziet 'er Pallas op de Wolken, en Neptuin van zyn Schulpkoets haar toespreken; in 't verschiet ziet men de Zanggodinnen; en in de schaduw van de Wolken de konsten &c. ze stont (als Lavecq te Parys was) boven een Thesis aangeplakt, en hy liet ze'er door een Switzer op een donkeren avond af halen voor een halve pistool, die de zelve ongeschonden aan zyn Logement bragt.

Weinig weet ik van hem, als ook van zyne wyze van schilderen te zeggen, om dat hy doorgaans ziekelyk was, en weinig of niet schilderde in dien tyd als ik by hem woonde. Hy was gemeenzaam met my, en heeft my verhaald dat hy te Sedan in Vrankryk zynde, gelegentheid had om het pourtret van een voornaam geestelyk oud Heer te schilderen, dat die Heer hem verhaalde dat hy nog eens van een Neerlander begonnen was, maar dat het hem niet behaagt had, en het over zulks onopgemaakt was blyven staan. De neusgierigheid drong hem het zelve te zien; gevolgelyk werd het door een dienaar uit een vergeten hoek, beschimmelt en uitgeslagen, te voorschyn gebragt; waar door hy verbaast stont te kyken; want hy met den eersten opslag zag dat het door den weergaloozen A. v. Dyk was aangeleit, dog het viel

[p. 155]origineel

met hem beter uit dan hy by zig zelven gedagt had; want hy bevond het spreekwoord bewaarheid; dat alle liefhebbers geen kenders zyn.

Hy stierf als ik myn geheugen na ga in het begin van 't jaar 1674, naar ik gis, ontrent 50 jaren oud zynde. Hy was in 't Konstgenootschap gekomen in 't jaar 1655.