De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]origineel

[Hendrik Verschuring]

HENDRIK VERSCHURING geboren tot Gorkom in 't jaar 1627. was de Zoon van een Hopman in dienst van den Staat. Deze, welke een teedere geneigtheid voor zyn Kind had, te meer alzoo het zelve in zyn vroege lentejeugt zwakker en teederder dan wel anderen was, had veel bekommertheid daar over, niet wetende wat daar mede te zullen aanvangen, of waar heen te leiden; wyl de jongen voor den Wapenhandel niet geboren scheen te zyn. Maar 't leed niet lang of het middel van zyne kostwinning ontdekte zig in de geneigtheid, welke strekte tot de teekenkonst. De Vader dit bemerkende bestelde hem straks, ter ouderdom van acht jaren gekomen, by eenen Dirk Govertsz. Pourtretschilder, om in de beginselen der teekenkonst onderwezen te worden, by welken hy bleef tot zyn dertiende jaar, wanneer hy besteet wierd by den berugten Jan Bot tot Utrecht, waar by hy nog zes agtereenvolgende jaren bleef, naarstig en vlytig zig oeffenende in teekenen en schilderen. Toen bekroop hem de reislust, zoo dat hy naar Rome ging; daar hy om zyn Konst voort te zetten, zig stadig bezig hield met teekenen naar de konstige marmere beelden; en het naakt op de vermaarde Roomsche teekenschool. Maar om dat zyn geest hem meer en meer leyde tot het schilderen van Paerden, Jachten, Rooveryen, Veldslagen enz. als ook tot het teekenen van oude ruinen, en gesloopte gebouwen, en Eerteekenen, vertrok hy gints en elders, om allerhande voorwerpen op te zoeken waar toe zyne genegenheid hem trok. Ook teekende hy het opmerkelykste in de voornaamste Steden waar hy gewoont heeft, als Rome, Florence en Venetien, zelf ook vele van de nieuwe Gebouwen en Paleizen, waar door hy

[p. 194]origineel

Bouwkundig werd, 't geen hy uit verscheiden stalen naderhand in zyne pencee werken heeft doen blyken. Te Venetien was zyn penceelkonst inzonderheid gewilt, en hy door de zelve, en door zyn hups gedrag by alle grooten bemint. Na dat hy dus den tyd van tien jaren in Italien had doorgebragt, schryft du Pilé, (maar zyn Zoon de Heer Willem Verschuring meld in een brief aan my geschreven van vyf jaren) keerde hy te rug na zyn Vaderland; dog volbragt toen zyn voornemen niet; want nemende zyn reis door Zwitserland op Vrankryk ontmoette hy tot Parys den Zoon van den Heer Borgermeester Maarzeveen, die een speelreis naar Italien ging doen. Deze lokte hem (zonder veel moeite) van zyn voornemen af, om hem te verzelschappen in Italien, gelyk hy deed. Hy bleef daar drie jaren, en kwam eindlyk in den jare 1662 in zyn geboortestad Gorkom gezont, en vol schildervuur (om aan alle Konstminnenden te doen zien wat hy gevorderd was) met voornemen van daar zyn rust te nemen.

Hy zette zig zonder lang dralen tot het oeffenen van zyn Konst, daar hy straks beminnaars toe vont, dat hem den lust meer en meer deed wakkeren, en dus geen moeiten ontzien om de byzondere voorwerpen, daar zyn Konstzugt op doelde, na te sporen. Dus begaf hy zig gints en herwaard in de legerplaatsen en waar schermutselingen(inzonderheid onder de Ruitery) voorvielen; waar hy dan een afschetsing maakte in een Boekje dat hy tot dien einde altyd by zig had. Inzonderheid vond hy daar toe gelegenheid aan de hand in de jaren 1671 en 72, agtgevende op de wyze van Camperen, orde in vegten, aftrekken, vlugten, en uitplonderingen der dooden en gekwetsten na den

[p. 195]origineel

Veldslag, vorders den gantschen toestel en omslag die tot een leger behoord. Van welke geschetste voorwerpen hy zig naderhand bediende, en gebruikte voorts het leven tot de voornaamste beelden en paerden: als my gebleken is aan een groot stuk woelig vol werk en konstig geschikt, verbeeldende een stroopery van Vee, en Menschen. 't Verschiet vertoont een Zeestrand, en Schepen aan den wal, waar heen een gantsche dreef van slachtvee, en geplonderde goederen vervoert word. Op den voorgrond word een Heerschop geweldigerhand van de roovers gegrepen, die schoorvoetende tegens de vervoering, om verlossing uitziet, terwyl zyn Vrouw aan het hoofd dier bende, rustig te paerd gezeeten, veelerhande Zilverwerk, met gebogen knien daar voor aanbied. Dit alles is zoo natuurlyk geschildert, en fix geteekent, dat het wel onder de braafste Konst van onze Nederlandsche Meesters geteld mag worden. Thans is de Heer Gysb. van Aalst te Dordrecht daar bezitter van.

Door zyn geboorte, verstant, en prysselyk gedrag, waar door hy by elk bemind was, werd hem het Magistraatschap van zyne geboortestad opgedragen, 't welk hy met veel roem bekleed heeft. Dog hy liet egter niet na dagelyks de Konst te oeffenen, die hem goed voordeel by bragt, zoo dat hy lustig en gelukkig leesde.

Om een kleine reis te doen (wie kan zyn noodlot voorzien?) begaf hy zig te scheep, daar een sterke onweerbuy hem deed verongelukken, zynde twee uuren van Dordrecht, op den 26 van Grasmaand 1690. in den ouderdom van 63 jaren.

F.G. Westhovius, Rector der Latynsche Scho-

[p. 196]origineel

len te Gorkom, zond my dit volgende byschrift op des zelfs af beeldsel (geplaatst in de Plaat H. 1.) door hem zelf berymt in een Brief.

 
Verschurings beeltenis word in dit beeld verbeeld,
 
De paerel aan de Kroon van Gorinchems banieren;
 
Rechtschapen kroost als van Parrhasius geteeld,
 
Dat op zyn' trekken trekt met onnavolgb're zwieren.
 
Wil iemant klaarder licht dan uit dit beeld, en vaars?
 
Zoek hem in lofspraak by het puik der Konstenaars.