De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Abraham Bisschop]

ABRAHAM de jongste had die gelegentheid niet die zyn Broeder vond, maar moest zig het beeldenschilderen (een zeker inkomen voor het huisgezin) getroosten. Dog dit belette hem egter niet de leidingen van zyn natuurdrift by de minste gelegentheid die hy vond, te volgen. Hy begaf zig tot het schilderen van allerhande vogelen, inzonderheid Hoenderen: daar hy thans door byzonderen

[p. 223]origineel

vlyt, in gestadig zig naar 't leven te oeffenen, in gevorderd is, dat men hem wel onder de bekwaamste in die oeffening stellen mag. Dus veel vermag de natuurlyke aandrift, en het onvermoeit yveren. Waarom ook Aristoteles al wist te zeggen: Om een uitstekent man te worden in eenige oeffeningen, hoedanig die ook wezen mag, moeten drie zaken te zamenloopen, Natuur, Vlyt en Oeffening. Reeds heeft hy verscheide groote stukken, om ruime zalen te cieren, zoo in Zeeland als elders gemaakt, daar hy allerhande soort van gevogelten in te pas gebragt heeft, elk in hun aart zo natuurlyk kragtig gekleurt, en dun, en helder geschildert dat ik my daar over heb moeten verwonderen. Ik spreek vryborstig, en weet 'er (schoon 't myn doen niet is) beter van te oordeelen, als de Bisschop van Mechelen van de Dichtkonst deed, van wien verteld werd dat, toen J. van den Vondel zyne onverbeterlyke Altaar geheimenissen aan hem opdroeg, hy aan hem schreef, indien hy zoo voortging met rymen, dat hy dan nog een tweede Jak. Kats zou worden.