De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johan Henrik Roos]

JOHAN HENRIK ROOS, geboren te Frankfoort, wiens beeltenis hier tegens over in de plaat K. boven aan te zien is, heeft de Konst geleert tot Amsterdam by Barent Graat, daar hy zig inzonderheid oeffende in 't schilderen van Schaapjes, Geitjes enz. waar in hy in korte jaren zoo toenam dat hy in den jare 1673 schilder wierd van Karel Ludowyk Keurvorst van de Palts, voor wien hy veele konstwerken die roem verdienen gemaakt heeft.

[p. 278]origineel

Naderhand is hy gaan wonen met zyn huisgezin te Frankfoort, daar hy menigte van pourtretten gemaakt heeft, waar in elk een goed bevallen had; aangezien hy in den agtergrond, of een cierlyk landschap, of Beesjes te pas bragt: gelyk hy ook dikwils verscheiden pourtretten tot een Historie schikte, zoo uit den Bybel als andere oudtydze geschiedenissen, daar Beesten en Landschappen by vereischt werden, waar door hy niet alleen veel geld won, maar ook veel over ley; en dus door een levendig voorbeeld aan zyn Zonen (die hy alle in de Konst opkweekte) liet zien, dat de oude spreuk: Sparen is een goede schat, waarheid zeit.

Egter droeg hy zig als een braaf Man betaamt, en had verkeering met de braafste en aanzienlykste luiden van die Stad. Maar (wie kan zyn noodlot ontwyken?) hy verloor alles wat hy gespaart had op eenen stond door een fellen brand op 't laatst van 't jaar 1685. Deze brand ontstond door agteloosheid in de Stads Pakhuizen, of wel eerst in de Broodbakkery voor de Stads Soldaten, welke agter zyn huis aankwam, en sloeg van daar voort, en zette een groot deel van de Stad in vlam. Hy die in dien nood nog wat van zyne goederen meende te bergen, vloog door de vlam, om weg te dragen, 't geen hy onbeschadigt vond, onder andere een Porcelyne vlesje met een goud dekzel; maar alzoo hy daar meê nevens ander goed in alleryl kwam aantorsen, ontviel hem het flesje en brak. Hy in verbaastheid niet wetende wat hy deed, bukt naar het zelve om 't dekseltje te krygen, maar word inmiddels door den stoom, en zwaren rook bevangen, en zygt neer. Sommigen dit ziende drongen daar op in, en sleepten hem zoo zy best konden, dog tot zyn onge-

[p. 279]origineel

luk, met het hoofd om laag de trappen af uit den brand. Of nu dit ongemakkelyk torsen, of de schrik oorzaak van zyn dood geweest zy, weet men niet, maar hy stierf dien zelven morgen naarlatende 4 Zonen en een Dochter. Alle zynze brave Schilders geworden, maar niet een die zyn Vaders voetstappen in wyze van leven na getreden heeft.