De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Gerard Uilenburg]

GERARD UILENBURG hier op volgende is geboren tot Amsterdam, zonder dat ik weet by wien hy de Konst geleerd heeft maar wel is my bekent dat hy zig

[p. 294]origineel

tot het schilderen van Landschappen begaf, gelyk 'er thans nog tot Amsterdam in 't huis van den Heere van Kerkwyk een groote beschilderde zaal van hem te zien is. Dog de vlerken van zyn vermogen groeiden zoo sterk niet aan dat hy een hooge vlugt konde nemen. Des liet hy in tyds af van de Konst te oeffenen; wyl hy dog daar zoo heel breed niet by stond, en doelende op grooter voordeelen begaf zig t' eenemaal tot den Konsthandel, sloeg verscheiden brave schilders en jonge borsten aan, die anderzins niet konden te regt raken, en liet hen stukken van geagte meesters, yder naar zyne bekwaamheid na schilderen, om de zelve met winst uit te venten, en 'er somwyl een onegt stuk onder den hoop doorsluipen. Wierd het niet gemerkt, hy liet het ook ongemerkt doorgaan.

Hy kreeg gelegentheid om een groote party van Konststukken, zoo Italiaansche als andere, aan 't Hof te Berlyn te leveren, daar de Vorst hem voor uit 4000 gulden geschoten had; maar deze som kon weinig helpen, aangezien hy zulk een groot getal alzins, (op voorwaarde van de zelve te betalen zoo haast die gelevert waren) by een geschraapt had, dat hy daar voor een som van dertigduizent gulden van den Vorst vorderde. Dog die handel werd gestremt. De Vorst liet eerst Ottomar Elliger den ouden, die Hofschilder was, roepen, die zyn oordeel in hield, met zeggen: dat, zoo het Bloemstukken geweest hadden, hy daar over den Vorst ten dienst zyn oordeel zou gegeven hebben. Waar op de Vorst den Konstschilder Fromentjou, die een Historie en Beesteschilder was, liet halen om van die stukken te oordeelen. Deze die voor henen op de Galey (gelyk men in Italien het schilderen voor de keelbeulen dus gewoon is te

[p. 295]origineel

noemen) gezeeten, en zelf voor Uilenburg geschilderd had, en dus den handel dier vosschen kende, doopte de zelve met den naam van kopyen, verzekerende den Vorst, dat hy de egte zoude in Holland en elders konnen aan wyzen, en bekomen, waar door de Vorst van de zelve afzag, geen bod daar voor bood, maar beval de zelve weder weg te voeren, en schonk hem gemelde 4000 gulden, voor de kosten daar op geloopen door 't vervoeren. Gelukkig zynze, die, (daar het in 't gemeen dus toegaat) niet door een anders bril, maar uit eigen Konstkundige oogen zien kunnen, en uit een talloos tal de egte uit de met schyn geferniste, en met logens vergulde stukken weeten te onderkennen. Zulke, daar de Heer N.A. Flink meê onder geteld word, konnen aan elk die hunne Konstkabinetten beschouwen, straks doen zien, dat zy goede Keurmeesters zyn.

Dit gaf (om voort te gaan) een grooten krak aan de waarde dier Konst, en bragt den bezitter in verlegentheid, zoo dat hy genootdrukt wierd ten ontyde, in 't jaar 1673 op den 23 van Sprokkelmaand tot Amsterdam koopdag van de zelve te houden.

J. v. Vondel maakte op zyn verkooping der Italiaansche schilderyen dit volgende gedicht.

 
Nog spant de Schilderkonst de kroon by brave Heeren,
 
En zwigt voor onverstant, nog geen grianmas van Nyt.
 
Zy wil de ruime Zaal van Uilenburg stoffeeren
 
Met Italiaansche Konst, in dezen droeven tyd:
 
Schoon Mars, in 't harrenas gewapent, ten bederve
 
Des volks, de landen zet in vuur en vlam uit wraak.
 
Dees tiende Konstgodin, verkoren by Minerve,
[p. 296]origineel
 
Spreekt door haar schoone verf een stomme beeldespraak.
 
Een yders hart verlangt naar prys in 't vrolyk loten.
 
De God Apollo komt, vol levens en vol geest
 
In dees vergadering. Hy groet de Konstgenooten
 
En speelt op zyne harp in 't midden van dit feest.
 
De mist der lastertong verstomt door 's kenners klaarheid
 
De logentaal verdwynt voor 't helder licht der waarheid.

Of Fromentjou nu met waarheid dus tot veragting van die Konststukken gesproken heeft; dan of hy Uilenburg dat voordeel niet gunde, of een ouden wrok op hem had, en hem dien dus betaald zette, dat laat ik daar: maar uit het bovenstaande vaers is duidelyk genoeg te bespeuren dat 'er de wangunst de tanden in gezet had, en teffens ook dat den Dichter hem een vriend was.

Vele hebben gemeent dat hy groote schade door die ontydige verkooping geleeden heeft, maar de brave Dichter J. Antonides geeft in den Toezang van zyn Zege der Schilderkonst (by verzinning onder Vondels mengeldigten geplaatst) het tegendeel niet duister te kennen, als hy zeit:

 
In Amsterdam trotseert de kunst
 
Van Italjaan en Nederlander
 
Den opgeregten Oorlogsstander,
 
En wint by alle kenners gunst.
 
Daar Uilenburg zyn schilderyen,
 
In spyt van alle razernyen,
 
Hoe elk ons dreigt te vier en zwaard,
 
Met winst vertiert, bedankt van Heeren,
 
Dien 't lust hun Zalen te stoffeeren
 
Met zulk een rykdom, lang vergaart.
[p. 297]origineel
 
Dies hoe de krygselenden treffen,
 
De Schilderkonst mag 't hoofd verheffen.

Het zy daar meê zoo 't wil, zyne agting hier door gekrenkt zynde, vertrok hy naar Engeland en hielp by wylen voor Pieter Lely (daar hy kennis aan had) kleeren en Landschappen agter zyne pourtretten schilderen, en kwam met een aldaar te sterven.

Die beminnaars van Roomsche Konst zyn, of Italie hebben doorreist, en de Konst der groote meesters gezien, weten niet alleen met verwonderinge van de zelve te spreeken, maar ook boven menschelyke werken te roemen, en dus elk een groots denkbeeld daar van in te drukken. Dit doen ook inzonderheid zulke die daar handel meê dryven. Zoo haast en komt 'er dan geen konststuk van Italie tot ons, of van elders opeen openbare verkooping, of straks, op 't spellen van een groot meesters naam, staat elk met verwondering de zelve te begapen, en door vooroordeelen ingenomen verwonderlyke schoonheid daar in te ontdekken, of ten minsten zulks, zig zelven, en anderen wys te maken. Dit doen zelf zulke die daar even zoo veel af weten als 't Kalf van den Zondag, en maar alleen napraten 't geen zy van anderen hooren zeggen, een bederf dat van langzamer hand ingekropen, onze brave Hollandsche Konst kleinagting aandoet.

Het vooroordeel doet dikwils meer zien als zuivere bespiegelinge, en geeft het zelve genoegen. Tot bevestiging van dit gezeide dient dit eene staal. Izak de Moucheron uit Italien gekomen had onder een menigte van Modellen ook meê gebragt een doek dien hy zelf beschildert had naar een

[p. 298]origineel

stuk van Pouzyn. De Postmeester van Zwol belust of hy niet iets meê gebragt hadde dat zyn zinlykheid genoegen konde geven, ging hem bezoeken. Straks viel zyn oog op dit stuk, en hy kogt het zonder te vragen door wien het beschildert was, voor een der beste stukken van Pouzyn, en hield het ook daar voor, schoon het egte stuk hier te land kwam en daar nevens gesteld wierd, en Moucheron gevraagt hoe het daar meê gelegen was, zig daar ontrent openhartig verklaarde.

Wy spreken den roem niet tegen die de egte Italiaansche Konst verdient: nog moet my niemant verdenken, om myn vryborstig schryven, even als of ik met een vooroordeel tegen buitenlandsche Konst was ingenomen; geheel niet: ik bemin de grootsche gedagten en stoute behandelinge, ja kan met zoo veel vermaak de zelve beschouwen, dat ik my zelf byna vergeet: maar ik kan niet dulden datmen nabootsels, en prullen den menschen voor egte Konst in de vuist stopt, en dan nog wil dat elk zig over de schoonheid dier Konst verwondere.

Zyn 'er daar de beelden zoodanig in 't bruin zyn weg gedompelt datmen niet ziet waar de zelve beginnen of eindigen, men geeft het den naam van een ongemeene behandeling. Zyn 'er daar de beelden op den voorgrond als in helderen zonneschyn gedaagt door het agterwerk (dat een donkeren nagt verbeeld) sterk afsteken, men pryst het kragtig schilderen.

Zyn 'er daar de beelden misvormt, en wanstallig zyn, men ziet die misslagen over 't hoofd, en pryst het geen 'er fraai in is. Dit is een prysselyke wyze van doen om niet voor een spin geagt te worden; maar als men dan ook in de zelve pryst,

[p. 299]origineel

't geen men in de Nederlandsche schilderyen veragt, en aitvist, dat is ook zeker niet wel te verdragen.

Daar is geen goud zonder schuim zeit de spreuk, nog ook geen schildery zoo slegt, of daar is wat in dat men roemen kan. Dit zyn de twee hantvatsels die de Konst heeft, en 't scheelt heel veel by welk men de zelve aangrypt.

Gelukkig was de Konst in 't algemeen, en de levende Konstschilders in 't byzonder, indien hunne werken door onzydige oogen beschout, en zonder agt te geven op namen, volgens hunne waarde wierden geoordeelt; dan zouden vele het hoofd nog boven steken, die nu in de veragting begraven, geen vrugt van hunnen arbeyd plukken. Ongelukkige, die onder de verdrakking zugten, en in al hun levenstyd geen Mecenassen aantreffen, die hen in spyt der wangunst opbeuren.

In de stukken der uitlanders, en de Konstwerken der overledenen, worden de gebreken eerder over 't hoofd gezien, dan in die der levendigen. Dezer werk diende wel volmaakt te wezen, zal 't voor gangbaar doorgaan; om dat het door bedilzugtigen naau gezift, getoetst, en ter monstering gebragt word.

Zyn 'er onder die in de bruinte wat twyffelagtig zyn, men zeit straks, 't is om de misslagen te bedekken.

Gebeurt het dat sommige hunne werken voor aan sterk en agter bruin maken, straks hoort men zeggen: dat de natuurlyke helderheid daar in niet is waargenomen, en dat het geen Konst is, wit tegen swart te doen afsteeken. En zoo'er gebreken of fouten in zyn, de zelve worden luider als

[p. 300]origineel

de Hanekreet, die Petrus zyn misdryf indagtig maakte, uitgekraait.

Gelyk de eene schakel uit de ander volgt, zoo vloeit de eene redenvoering uit de andere, en dus zyn wy wat ter zyden ons doel geweken, welk was om eyndelyk door een staal of twee aan te wyzen, hoe onzeker het is dat al die stukken, die men voor Italiaansche Konst aanpryst, egt zouden wezen: of voor de beste soort van der berugtste meesters Konstwerken moeten aangezien worden.

'T is bekent dat de voornaamste Konststukken, waar door de Italianen zoo veel roem in de waereld hebben behaald, voor Kerken, Kloosters, en Paleyzen, der magtigste geslagten van Italien geschildert, in vaste handen zyn; gevolglyk dat het voor het meerder gedeelte uitschot is, daar in andere landen Koophandel meê gedreven word. Ik betwist niet dat 'er nu en dan wel een puik Konststuk of stukken, aldaar opgekogt, ter sluik vervoert, hier te land komen, waar meê de ware Konstkenners in hunne Konstkabinetten pronken: maar dat die zoo gereed, en in zulken getal te be komen zyn dat men 'er heele verkoopingen van kan opregten, als geschiet, geeft genoegzaam agterdogt dat 'er bedrog onder speelt. Overzulks komt het my ook belachelyk voor wanneer de Catalogen stompen met de naam van Rafael d' Urbyn, even of die stukken zoo makkelyk te bekomen waren als een Boerekermisstuk van Droogsloot, of Bloemstukken van Bartholomeus Astyn.

Daar en boven is bekent dat 'er te Rome een verbod is tegen het uitvoeren der beste of vermaardste Konststukken; gelyk ook opzigters tot dien einde gesteld zyn, die regt hebben om de zelve aan te houden voor die waarde als de zel-

[p. 301]origineel

ve worden aangegeven: of dien prys waar voor dezelve opgekogt zyn: en dat niet alleen in opzigt van Schilderyen maar ook van teekeningen.

Een bewys van myn gezegde is met den Konstschilder...... Kloosterman voorgevallen in het jaar 1700. Deze had te Rome een groot getal teekeningen opgekogt van de eerste Meesters voor ettelyke honderd Schudy. Maar zy werden door last van Paus Clemens den elfden aangehouden: en een gedeelte daar van op de kamer der Academie, en de Vaticaanse Zalen van Rafael beschildert ten dienst der Konstoeffening opgehangen.

Wat Rafael aanbelangt, de meeste zyner konstwerken in Fresko geschildert, en die, welke hy op doek of paneelen met Olyverf geschildert heeft, zyn wel in zulke vaste handen dat 'er geen uitbreken aan is; want die 'er bezitters van zyn hebben zoo veel agting voor de zelve, dat verscheiden van Rafaels konstwerken met een yzer staketsel afgeschut zyn, op dat de zelve door onvoorzigtigheid niet geschonden zouden worden. Zo dat de zelve als heiligdom geschat of geagt zyn. Zelf is 'er binnen Rome, behalve zyn groote werken in 't Vaticaan, en het hoog altaarstuk in St. Pieter op den Berg, weinig van hem te zien, als een kleen stukje in de slaapkamer van den Paus in 't Vaticaan, waar aan nog getwyfelt word of het wel egt is, en of het niet door Julio Romano naar het groote stuk van Rafael in St. Pieter (dewyl het van gelyken inhoud is) na gebootst is in Rafaels leven, en hy zelf daar de laatste hand aan geleent heeft. Dergelyke agterdogt heeftmen ook van de stukken, welke de Kardinaal Barbarini heeft, en die van hem voor egte van Rafael worden gehouden. En zoo is het met die men in andere Paleyzen vind.

[p. 302]origineel

Nu rest 'er nog te zeggen dat voor het gemelde stuk op den Berg, driemaal honderd duizent guldens geboden is, zoo het de Capucynen wilden afstaan, en dat voor het berugte stuk, de Heilige Familie, (thans nog in 't Kabinet des Konings van Vrankryk) aan Rafael zelf door François den eersten 5000 Ryksdaalders of de waarde daar van betaalt is. Als mede de St. Jan Babtist, 't geen den Keurvorst van de Palts tot een hoogen prys is aangerekent. Waar uit de Lezer dan ligt besluiten kan dat myn agterdenken gegront is, en gevolgelyk hy zig door geen wysmakery moet laten bedriegen.

Tot meerder bekragtiging van 't geen ik boven verhaald heb van 't geen Kloosterman wedervoer, is my ook voor waarheid verhaald: dat het vermaarde Konstkabinet van Karel Murat voor een groote som gelds van een Engels Lord gekogt dog verboden wierd uit Rome te vervoeren. Zelf word den bezitters der Konstwerken van de beste Meesters, of die voor d'eerste in Konst gehouden worden, niet toegelaten dezelve te verkoopen om vervoert te worden. Dit gebeurde den Prins Odeschalki. Dezen was by erve een derde deel van de Kabinetmeubelen en schilderyen van Koningin Kristina te beurt gevallen. Ang. Terwesten toen te Rome zynde kreeg orde om de zelve te koopen, en zou met den Prins den koop ook wel eens geworden zyn. Dog de zelve mogten niet vloten. 'T gebeurt egter wel dat 'er een enkel stuk van de beruchtste Meesters, 't geen elders verborgen hangt steelswyze uitgevoert word, maar dan word het ook (als het spreekwoord zeit) zoo wel gezouten, dat het de Kooper wel altyd kan bewaren. Gevolgelyk zou het dwaasheid wezen te Ro-

[p. 303]origineel

me (daar de braave Konst in grooter waarde is dan hier te Land) Konst te koopen, om elders uit te venten.