De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jakobus de Baan]

Zyn Zoon JAKOBUS de BAAN oeffende meê de Schilderkonst, dog zyn levenslamp werd door de dood op zyn 27 jaar gedompt, daar zyn Vader grooten rouw over droeg, in die twee jaren die hy na hem leefde. Wy zullen aan hem op zyn geboortejaar gedenken.

Nu heb ik nog een opmerkelyk en zeltsaam geval te verhalen, 't geen onzen Konstenaar ontmoet is. Laat het u niet verdrieten Lezer zoo het

[p. 315]origineel

wat lang valt. Waren 't beuzelingen ik zou my schamen u dien last aan te doen.

Alle dingen (zeit het spreekwoord) hebben twee handvatzels.

Dit ziet op de tweederhande of verschillige opvattingen, waar door de voorkomende zaken op het gemoet der menschen verschillige aandoeningen schynen te bewerken.

Schynen te bewerken (zeg ik) om dat alle voorkomingen een voudig enkel bespiegelend zyn, en de werkingen, die 't zelve veroorzaaken, van de gestalte des gemoets af hangen, en de meerder, of minder aandoeningen, ten kwade of ten goede, van de goede of kwade geaartheid haar oorzaak hebben.

De gaven der Konst zyn ongelyk gedeelt, en de eene steekt in hoogte uit boven de andere als een Ceder by het lage kruid. De hoogste zyn de laagste (op de Schilderkonst toegepast) als het doel, waar naar elk mikt met den pyl van zyn gewiekt vernuft, en zal die, welke zig 't yverigst daar in oesfent, 't wit digtst by beschieten. Dit veroorzaakt in de genen die in 't treffen te kort schieten (zoo de zelve een edelmoedigen geest bezitten) naayver en voelen zig gespoort om in die oeffening niet op te houden. Dus moeten de Konstoeffenaars zig ook onderling gedragen. Maar zoo haast 'er in dit opzigt afgunst ryst, is 't een bewys van 't kwaat gemoet, het welk in anderen benyd, 't geen het behoorde te pryzen.

Dit ontdekt zig meest in laf hartigen, en die een lagen geest bezitten, die liever aflaten van zig voort te oeffenen; om hun werk te maken van het doen der bovenstrevers te verguyzen, en hun roem met scheef gezigt te begluuren.

[p. 316]origineel

'T lust ons door loflyke voorbeelden aan te wyzen hoe de Konstschilders zig onderling onder malkander behoorden te gedragen, om de Konst aan te kweken, te bouwen, en haar agting op te beuren. Waar na wy de kwade gevolgen die uit afgunst spruiten, (wanneer men die drift den toom los geeft) met een zwarte kool (ten spiegel) zullen afschetzen.

De drie Gratien door Rafael van Urbyn geschildert te Rome in 't Paleis Petit, of kleen Gegy genaamt zyn berugt voor een van zyne beste werken, en vercieren het voorportaal van gemelde Gegy, of Chisi. Nu verspreyde het gerugt dat de Galathe, die hy in een der zaalen schilderde, nog ongelyk schooner en konstiger zoude wezen. Michiel Angelo belust om het stuk te zien wyl het nog onderhanden was, dog geen gelegentheid daar toe hebbende, zoo om dat niemant toegang daar toe gelaten wierd, als om dat zy geen goede vrienden waren, bedagt hier toe een list; hy verkleede zig in boeregewaat, en waarde om de deur, tot hy gelegentheid vond van een huisdienaar die de deur opende aan te treffen, dien hy dan op een boersche wyze dus aansprak: Ik heb gehoort dat Rafael in een der zalen van dit Paleis een Zeegodin schildert, ik heb zulks nooit gezien, en over zulks verzoek ik dat eens te mogen zien, daar by voegende: Dan kan ik thuis komende aan myn Kinderen vertellen dat ik wat vreemts gezien heb. De Dienaar wees hem af, dog door lang aanhouden, en hem wat in de vuist te stoppen, werd hy in gelaten, en de zaal aan gewezen. Michiel Angelo zig alleen in de zaal bevindende (want hy had dit waar genomen op dien tyd als Rafael met zyn Leerlingen, die meê aan die zaal schilderden, mid-

[p. 317]origineel

dagmaalde) en alles besnuffelt hebbende, vind een houdskool, klimt op een stoel of bank, en teekent daar meê, in een ronde Nis boven de deur een menschen hoofd eens zoo groot als 't leven agter over in de verkorting te zien, en gaat uit de kamer stil zyn weg.

Rafael gespyst hebbende, en in de zaal gekomen om weer aan 't werk te gaan, krygt dit in 't oog, en vraagt aan elk wie 'er in zyn afwezen in het vertrek geweest was. De deurbewaarder zeide niemant, dan alleen een Boer, en dat die daar zoo lang om aangehouden had dat hy hem in liet, maar vorders niet wist wie hy was. Dan zal ik het u wel zeggen (zeide Rafael) wie die Boer geweest is. 'T is Michiel Angelo geweest; want niemant anders kan zulks doen, als gy hier ziet, en wees op het geteekende opziende Hoofd, en maakte voorts den Heer van 't huis bekent wat 'er gebeurt was.

Het werk van de zaal tot dus veer voltooit, zoo wilde de patroon dat dit vak ook beschildert zoude worden: maar Rafael weygerde zulks te doen, zeggende: dat die omtrek zoo konstig was dat niemant de zelve zoude konnen verbeteren, dat hy de hant daar aan niet wilde leggen, maar dat zulks tot een waardig gedenkstuk van Konst, zoo blyven moest. Gelyk 't heden nog zoo staat.

Op gelyke wyze word verhaald van den Konstschilder Carats, dat hy in de kleene Kerk van St. Gregorius by het Colloze een Altaarstuk had geschildert, en twee van zyne beste Leerlingen, Dominicyn en Guidureni, ook elk een stuk zoude maken, en dat de Paters bedongen hadden dat hy (deze twee stukken voltooit zynde) de laatste hand daar aan leggen moest, 't welk Carats hun had toe-

[p. 318]origineel

gestaan. D'eerst gemelde had de Geesseling, d'ander de Kruisdraging van St. Andreas verbeeld. Als nu deze stukken afgeschildert waren en geplaatst zouden worden, drongen de Kloosterlingen uit hoofde van hun verding Carats aan, om 't met zyn konstig penceel daar 't gebrekkig was te verbeteren. Dog hy weigerde zulks, zeggende: dat hy die stukken heerlyk naar de Konst geschildert vont, en dat die de zelve wilde verbeteren, een grooter Meester dan hy in de Konst wezen moest.

De groote Rubbens ook, wanneer de Kloosterlingen aan van Dyk de waarde van zyn Konst niet wilden betalen (gelyk wy op zyn plaats breedwydig hebben aangemerkt) nam die naar zig en betaalde van Dyk; om de Konst haar waarde te doen houden, en op te beuren. En zoo nam ook de Konstschilder Bakker, Jan de Baan (even te voren in desselfs levensbeschryving vermeld) dezen zyn Leerling nog jong zynde, aldus in gezelschap met hem, en prees des zelfs Penceel werk boven zyn eigen; en hebben dus deze konstenaars voorbeelden nagelaten, hoe men de Konst opbouwen, en de Konstenaars opbeuren moet uit de verdrukking.

Zoo wy nu de welmeenenden, en de kwaad meenenden tegens elkander over in den evenaar stelden, de laatste zouden de balans merkelyk overhalen.

Die de schaamte ontwassen zyn steken met hunnen nydigen angel dat men het ziet: De Konstschilder . . . . Le Ceur kreeg in zyn tyd order om voor de Koningin van Vrankryk een Koepel te schilderen, waar van hy een teekening maakte die hy de Koningin in handen gaf, daar zy groot genoegen in nam. Maar C. le Brun (aan wien zy

[p. 319]origineel

die schets vertoonde) door wangunst gedreven zeide alleen: Dat dat geen werk was voor zoo een man, en daar meê was de voortgang verydelt, en le Ceur van de hand gewezen. Zulke Hovelingen leeren dit van hunne Vorsten, die (naar 't zeggen van Salustius) alles wat hun dienstig is, en voordeel geven kan, eerlyk agten te wezen. Maar die kwansuis daar nog niet voor gaan willen, of zig daar voor bloot stellen, doen het zelve bedekt.

Dominikyn schilderde te Rome de Historie van den Heiligen Hieronimus voor de Paters van die order om boven 't groot Autaar van hun Kerk geplaatst te worden: maar deze door Konstbenyders bedektelyk opgestookt, zetten dat Konststuk, als zulk een plaats niet waardig, elders in een hoek weg; niettegenstaande dat de Schilder menigwerf daar om aanhield dat het mogt geplaatst worden daar elk het zien konde. Dit kwam een der Kardinalen, die byzonder Konstminnende was, ter ooren: Des zond hy een onpartydig Schilder uit zyn naam by de Paters, om het stuk te zien, en de Deugt desselfs t' onderzoeken, die het zelve tot in den hoogsten graat prees; des zig de Kardinaal aan dees verongelyking tot drukking van Dominikyn liet gelegen zyn, en ontbood die kwaadsprekers (onderzogt hebbende wie zy waren) by zig, en dwong de zelve reden te geven waarom zy dit gemelde stuk misprezen hadden.

Als deze dan zig met ernst gedwongen zagen opregt daar ontrent te biechten, beleden zy, dat, by aldien zy dit stuk naar zyn waarde prezen, de maker voor den grootsten Meester in Rome geroemt, en boven hen alle geprezen zou worden.

Zie wat de Nyd en Laster niet al vermag. Na-

[p. 320]origineel

derhand hield, en houd men nu nog dit stuk voor een der konstigste geschilderde Tafereelen die te Roome te zien zyn.

Ik heb 'er gekent, die, als hun eenig Konstwerk van anderen wierd voorgesteld, om te konnen zeggen dat zy geen woord tot nadeel daar in gesproken hadden, de schouders (als hun over de waarde daar van gevraagt wierd) zoodanig wisten op te trekken, en den bek te plooijen, dat de veragting daar uit duidelyk genoeg te verstaan was. En sommigen die voor Konstkwekers gegroet willen wezen, hebben meê een rol in 't Spel. Deze, als hun naar eenig konstwerk gevraagt word, zwygen of spreken, na dat het voordeel hun dryst, aangezien zy de regelen van 't welleeven vergeten en alleen het Artykel van eigen voordeel onthouden hebben, en 't zelve behartigen. Van deze die zwegen, daar zy spreken moesten, zeiden de Atheniensers. Hy heeft den Os in de keel, of heeft den Uil gezien; om dat in dien tyd hun geld met de beeltenis van een Os, of Uil bezet was.

Ongelukkigen, die baatzugtigen tot hun helpers aantreffen, dezen moeten de handen voor af gevoelig gekust worden, of zy moeten op 't end de winst met hun deelen.

'T beurt elk niet een Kristoffel aan te treffen, die hem door de Wateren der verdrukking torst: of een magtigen Mecenas die hem zoo hoog opbeurt, dat de nyd hem niet bereiken kan, om haar gespitste nagels in zyn huit te hegten.

De Waereld is bedorven, en de bewoonders voor 't grootste deel verbastaart. De Spinnen groejen sterk aan, en de Byen verminderen. Voorbeelden hebben ons doen zien, dat de een Konstenaar des anders werken lastert en schent.

[p. 321]origineel

Le Ceur, een der braafste Konstschilders in zyn tyd te Rome, schilderde het leeven van den Heiligen Bruno, voor de Paters van die order in een Gaandery van hun Klooster. De vervloekte Afgonst, die zulk een fraai konstwerk in haar kwaad gezigt niet dulden konde, nog ongeschonden laten, heeft de schoonste en konstigst geschilderde wezens met haar schenzieke nagels uit gekrabt. Ja wat de verfoeilyke Afgunst uitwerkt als zy zig den toom los geeft, zullen wy in een opmerkelyk voorval den Konstschilder Jan de Baan wedervaren, zien: 't welk wy van zyne levensbeschryving hebben afgeknepen, om het in deze redenvoering te pas te brengen.

De Baan berugt voor den besten pourtretschilder van Nederland, en reeds vele Princen, en Vorsten met veel roem hebbende geschildert, werd ook ontboden aan 't Hof van Friesland om den Prins en zyn Gemaalin te schilderen. Dit stak byster in 't oog van hem (wy zullen zyn naam niet melden) die lang als Schilder aan 't Hof gewoont had. Hy vatte daar over een haat tegens de Baan op, dog deed daar van niet het minste blyken, maar veinsde egter zyn vrient te wezen, 't geen ook van de Baan, die van een goeden inborst was, gelooft werd, waarom hy hem veel vrientschap bewees; dog deze kropte dien haat op tot dat dezelve eindelyk tot een vervloekt voornemen uitbarste, en toeleg maakte om hem te vermoorden. Hy kwam tot dien einde in den Haag, maar vond geen gelegenheid dit by avond of ontyde te verrigten, aangezien hy altyd met zyn Hond verzelt ging, daar hy zig op vertrouwde.

Deze moordlustige nam dan voor hem dit on-

[p. 322]origineel

der schyn van vrientschap, in zyn eigen huis te doen, ging hem bezoeken, en verzogt zyn Konst te mogen zien. De Baan, geen kwaad vreezende, ontfangt hem beleeft, en leit hem op zyn ruime Schilderzaal: want hy woonde toen in het Groothuis naast aan de Schevelingse Brug in 't Noordende van den Haag.

Hier scheen de moorder de baan klaar te zien om zyn gruwelstuk uit te voeren, nu hy zig met hem alleen bevond.

Terwyl nu de Baan 't eene stuk voor, en 't ander na voor dien schoft op den Ezel zette, op dat hy de zelve best zoude konnen zien, trekt de godvergete mensch zyn moortpriem, dien hy tot dien einde onder zyn rok verborgen had, uit de schee, om agter hem staande, hem dien verradelyk in de ribben te stooten. Wat gebeurt 'er? De Heer Bruyninks, een van de Baans vrienden, die hem dagelyks kwam bezoeken, en zonder te vragen maar stil de trappen op naar zyn Schilderkamer gewoon was te komen, komt juist in dat oogenblik, zonder gehoort te worden, den trap op tot op de Bordes, en ziende den moortpriem opgeheven, geeft een luiden schreeuw, waar door het gantsche Huisgezin in bewegen raakte. De Verrader hier door verzet, en zyn toeleg verydelt vindende, neemt in alleryl de vlugt, de Zaal af langs een anderen trap, ten huis uit, en 't Nagtegaals Pad op, agter de Kloosterkerk, heen. Zyne Leerlingen en sommige Wagenaars die aan de Schevelingse Burg stonden, snelden hem wel na, maar hy was hun ontsnapt, en kwam ook naderhand niet te voorschyn.

Nog eens is hy van Nydigaarts aangevallen, waar by hy den middelsten vinger van zyn regter hand verloor.

[p. 323]origineel

De Laster en Leugen speelden meê hun Rol, tot zyn nadeel. Zy strooiden uit aan verscheiden buitenlandsche Hoven dat de Baan niet meer schilderen kon, maar blind wierd. Zelf werd dit door den Haag alzins verspreid, 't welk de Prins van Anspach Brandenburg (wiens af beeldsel hy voor heen geschildert had) niet konnende gelooven, liet zyn Koets inspannen, reed naar hem toe, en liet zig andermaal schilderen tot schaamte van die Addertongen. Dit is geweest in 't jaar 1692. De Nyd bedient zig op alle wyze van snoode vonden.

Ik ben heel niet van dien aart dien de oude Tobias had, en ga niet graag ter begravenis: maar zoo de Nyd eens ter aarde gedragen wierd, zou ik vreugdig die Lykstatie volgen, en 't Graf helpen toedelven.

De schilderkonstoeffenaars, inzonderheid de Leerjeugt, moeten yder groot Meester aanmerken als een *Antenos die door brandende liefde tot de Konst opgegroeit, tot nayver verwekt, en aanspoort om meê groot te worden.

Diogenes, door den roem welke de Veelweters kroonde, wordende de geleertheid toen zo hoog geschat, als nu het geld; werd door nayver geprikkeld; en deze nayver spoorde hem voort tot begeerte en wakkerheid aan. En wanneer de spreuk:

[p. 324]origineel
 
'T beurt zelden dat een geest den hoek te boven raakt.
 
Die in zyn arremoe naar wetenschappen haakt;

hem zyn toeleg scheen af te raden, greep hy egter moet, en zeide tot zig zelven: de spreuk zeit niet nooit, maar zelden, en wie weet of ik niet een van die ben, welke de Goden die gunst bewyzen willen. Lucas van Leyden, (als hem gezegt wierd dat Albert Duurer, door zyn Konst grooten opgang maakte en de zelve zeer hoog geroemt wierd) vraagde: Of hy geen Mens was? en als zy ja zeiden vervolgde hy: Waarom zou ik hem dan door yver niet konnen inhalen? Zulk zeggen is grootmoedig en pryslyk, en past een edele ziel. Maar laat nooit de Nyd in uw boezem huisvesten, maar elders begraven blyven.

 

De gelegentheid is een groot behulp voor de genen die zig tot de Schilderkonst of andere wetenschappen geneigt vinden. Waarom al van ouds deze spreuk: Elk heeft het geluk niet van Korinten te mogen bezoeken; onder de Grieken in gebruik was. Velen welke Ouders hadden die zig des verstonden, werden de konsten en wetenschappen als met de pap (gelyk het spreekwoord zeit) ingegeven, en zy vonden de voetsporen daar toe gebaant, om met wyde schreden tot hun geluk en roem te stappen, 't geen anderen door akelige omwegen hebben moeten opzoeken. Dit geluk is den Fenix der Scheepschilderen,