De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Willem vanden Velde]

WILLEM vanden VELDE, Willemsz. toegevallen. Hy werd geboren te Amsterdam in 't jaar 1633. en van der jeugt aan tot de Konst geneigt, werd daar in aangespoort, en met geneigt-

[p. 325]origineel

heid onderwezen, tot dat zyn Vader in dienst van Koning Karel den tweeden met 'er woon naar Engeland vertrok, en hem onder opzigt van den konstigen Scheepschilder Simon de Vlieger tot Amsterdam liet, van welker levenswyze wy niets weten te zeggen, gelyk wy ook den tyd zyner geboorte, nog met verzekertheid zyne geboorteplaats niet hebben konnen te weten komen, en dus alleen van hem kunnen zeggen, dat hy een Haarlemmer of Amsterdammer van geboorte, en een geagt Mr. in zyn Konst geweest is. Inzonderheid word, om des zelfs natuurlykeen konstige behandelinge geprezen, een stuk waar in het Haarlemmer Meir met allerhande Schepen, by een labberkoelte voorby en door malkander zwierende verbeeld is.

Hy had een Dochter Kornelia de Vlieger genaamt, die de Dichtkonst verstond. By gelegentheid van haar verjaring den 28 van Wiedemaand 1658 oud zynde 28 jaar, vind ik op den Hemelzang (zoo genoemt, door haar gemaakt) dit volgende Vaersje toegepast:

 
Ha! Amstels pronkcieraat,
 
Het droevig Wezop gaat
 
Met tranen in zyn oogen,
 
In zwarten rouw gekleed,
 
Om dat het tot zyn leet,
 
Moet dulden en gedogen;
 
 
 
Dat, Schoone! uw gezicht
 
Den Amstelstroom verlicht,
 
En 't Gein laat zonder luister:
 
Het doet niet dan het klaagt,
 
En noemt, hoe schoon het daagt,
 
Zig, zonder u, gantsch duister.
[p. 326]origineel

Van haar Gedichten zietmen in d'Amstelsche Zang-Godin, ook die op haar zyn toegepast, maar op haar Vader S. de Vlieger heb ik niet ontdekt als dit volgende Grafschrift:

 
Hier rust de Vlieger, die wel eer door zyn penceelen,
 
Om prys streed met Natuur, op doeken en paneelen;
 
En door zyn yver en natuurdrift aangevoert,
 
De Lasterzieke Nyd, de lippen heeft gesnoert.
 
Deez' Sark houd wel zyn Lyk, maar niet zyn lof gesloten;
 
Die op de tongen zweeft van al de Konstgenoten.

En Vondel elders:

 
De Vlieger nam in 't end de vlucht
 
Uit dees benaauwde lucht.

Wanneer onze Willem vanden Velde nu zoo veer in de Konst van Scheepschilderen gekomen was, dat zyne stukken nevens de beste van die soort mogten ter monstering komen, nam de oude Willem zyn slag waar, en wist zyn Zoon ook in de gonst van Koning Karel te vleijen, die daar op naar Engeland trok, en veel heerlyke konstwerken tot de Koninglyke vertrekken maakte, gelyk ook na des zelfs dood, voor Koning Jakobus; waarom ook zyn Beeltenis door Godf. Kneller in den jare 1680 geschildert, en door Jan Smit 1707 in koper gebragt, ook dus met die eer pronkt:

 

Guljelmus vanden Velde, Junior, Navium & prospectuum marinorum Pictor: & ob singulare in illa Arte peritiam a Carolo II. &. Jacobo II,

[p. 327]origineel

Mag. Britanniae Regibus annua mercede donatus. Obiit 6 Apr. Ann. Dom. 1707. AEtat suae 74.

De Engelanders hebbende grote agting voor zyn penceelkonst, zulks ook verdienende, hebben de zelve van tyd tot tyd, door Holland, opgekogt, ons gezigt die aangename beschouwing onttrokken, en dezelve derwaards vervoert, zulks dat men niet veel van de zelve ziet. En het staat niet ligt gezien te werden, dat ymant in dat deel der Konst zoo schoon zal opdagen, om de school van Pictura, door zyn konstlicht te beschynen.