De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 332]origineel

[Joan Guiliam Bouwer]

In dit zelfde jaar leefde en was te Rome aan 't Hof van den Hertog Brassano, of Brassiano, JOAN GUILIAM BOUWER van Straatsborg, een weergaloos konstig schilder van Gebouwen, Landschappen en kleine figuurtjes op perkament in waterverf. Deze Brassano was in dien tyd een der grootste Mecenassen of begunstigers der vrye konsten, by den welken Bouwer verscheiden jaren zyn Konst geoeffent heeft, schilderende voor den zelven zyn Paleis op verscheyden wyzen in perspectyf, als ook de Galeryen, Lustprieelen, Fonteynen en marmere Beelden, nevens al het gewoel van Koetsen, Paerden, en Lyfwagten. Hy had de Konst by Frederik Brendel te Straatsborg, die een goed Meniatuur Schilder was, door welks vlyt veel werk is naar gebleven, geleerd; en word van hem getuigt dat hy op een stukje perkament van een kleenen omtrek had geschildert het Krygsleger van Koning David, en de plaats daar Absolon aan een boom hangende van Joab met een speer word doorstooten.

Van Rome trok hy naar Napels, daar hy veel geld won, en wel langer zoude gebleven hebben maar om zekere reden (men zegt de liefde van zyn Matres) zig genootzaakt vont weder naar Rome te keeren in den jare 1634.

Van hem gaan in print uit de Historien van Ovidius Herschepping, de Pastor Fido of getrouwe Harder, als ook de Passie, of 't lyden van Christus in 24 kwartplaten konstig door Melchior Kuszel van Augspurg geëtst. Als ook verscheiden gezigten van Roomsche gebouwen, Paleizen, Lusthoven en Springbronnen opgeciert door menigte van Beeldjes, die hoewel klein, elke onderscheiden in geslagt, door hun eigen dragten, of klee-

[p. 333]origineel

dingen, bekent konden worden. Ja men kon zelf aan hunne wyze van staan, en gaan, zien, welk een Turk, Parsiaan, Spanjaard, Fransman, Muskoviter of Duitsman was. Met zulk een naauw opmerken behandelde hy zyn Konstwerk. Ook word verhaald, dat hy, schoon alleen by zig zelfs zynde, als hy bezig was, praatte, als or hy met de voorwerpen redenwisselde. Elk went zig zoo al iets aan, daar hy in zyn yver geen agt op geeft, of niet van weet; gelyk Bamboots gestadig onder 't schilderen zyn knevels omkrulde. Eindelyk begaf hy zig naar Weenen in Oostenryk, daar hy voor Ferdinant den III. verscheiden Konstwerken maakte; en van een onverwagte ziekte overvallen, stierf in 't jaar 1640. Du Piles schryft dat hy te Vienne een Stad aan den Donau, is gestorven.