De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Kornelis Kik]

KORNELIS KIK geboren te Amsterdam in den jare 1635, heeft van der jeugt af aan zig by zyn Vader die een fraai beeldschilder was, geoeffent. Hy zelf schilderde ook Beelden en Pourtretten, waar onder gevonden worden die zoodanig zyn uitgevoert dat den erf van 't vel daar in na 't leven is waar genomen. Maar wanneer de geneigtheid der Konstlievenden, tot het stilleven, en bloemstukken, toenam, en Jan de Heem inzonderheid daar meê breest voorwind zeilde, liet hy zig raden het bloem- en fruitschilderen ter hand te nemen, 't geen hem wel gelukte, en ook groot voordeel gegeven zoude hebben, indien hy niet zoo traag waar geweest. Zyn vrienden, die hem tot naarstigheid aanmaanden, gaf hy tot antwoord: dat, als hy getrout waar, hy zyn doen meer beyveren zoude. Zyn oog viel op de Dochter van Spaaroog in de

[p. 334]origineel

Bank van Leening en hy kreegze door behulp van zyne vrienden tot zyn Vrouw. Straks kwam hem weer in 't hoofd dat het beter, en gereeder voor hem wezen zoude, een Bloemhof by, of aan zyn woning, gereed om de zelve met meerder gemak naar 't leven te schilderen, aan de hand te hebben; des hy zig bediende van zyn Schoonvaders tuin, die buiten de St. Antonis Poort stond, en daar een bekwame woning by was. Maar deze moest hy ontruimen als de nieuwe uitlegging gemaakt wierd, en hy verplaatste toen naar de Diemer Meer. Jakob van Walskapel, zyn Leerling, die zoo veel voor de verandering niet was, wanneer hem in 't hoofd kwam om te Loenen te gaan wonen, scheide van hem af. Dit was in 't jaar 1667. Deze bleef tot Amsterdam nog eenigen tyd de Konst oeffenen, tot hy een ander beroep kreeg, dat hy nu nog waarneemt.

Kik uitgetobt kwam naderhand ook weder tot Amsterdam wonen, daar hy ook gestorven is in den jare 1675.

Wy hebben op het einde van onze laatste tusschenreden, met het eindigen van ons eerste Boekdeel den Lezer belofte gedaan, dat wy in een andere Redenvoering zouden onderzoeken, of ten proef brengen wat de leiding vermag, omtrent zulke die een lagen geest bezitten, en of die door deftige voorbeelden aangespoort bekwaam gemaakt konnen worden tot groote onderneemingen in de Konst. Dit zal thans het doel wezen dat wy tragten zullen te beschieten.

'T is van nootwendigheid, en ook in gebruik, dat de Jeugt door den toom der opvoeding geleid word tot zoodanig een einde als haar Ouders of Opzichters oordeelen dat haar best en dienstig we-

[p. 335]origineel

zen zal. Dog hier in moet de voorzigtigheid maat houden, op dat zy door te lossen teugel niet verwildere, of door te engen breidel stugger worde, en uitspatte. Uit welk opzigt ik op het eerste lid van ons voorstel zeggen kan: dat de voorzigtige opvoeding veel vermag. Dit heeft Lycurgus, wetgever van Lacedemon, zyn volk door een levendig voorbeeld willen te kennen geven. Hy nam (zeit Plutarchus in zyn Boek van d'Opvoeding) twee jonge Honden uit een nest, voede die op, den eenen tot de Jacht, den anderen tot de Keuken. Wanneer hy de Lacedemoniers aldus aansprak: ô Lacedemoniers! de zeedeleeringen en opvoedinge maken de deugt, en dit zal ik u aantoonen. Hier op liet hy een ring slaan op de markt, en zette in 't midden van den zelven een pot met Bry, en een levenden Haas, en beval beide die Honden in 't perk te brengen. Elk keek met verwondering toe wat hier van komen zoude. Als nu die Honden in 't perk kwamen, liep de een straks naar den Haas, en de ander naar den Brypot, wyzende alzoo door een levendig voorbeeld hun hunnen pligt aan.

Zeker zulke voorbeelden zyn de rechte spiegels die nut zyn. Egter gaan zy zoo algemeen zeker niet in hun gevolg; of voorbeelden gegrond op de spreuk: Natuur, gaat boven 't leeren, gaan zekerder. Dog om my van eerst af, zoo hard daar niet tegens te kanten wil ik den Lezer nog een staaltje aan de hand geven om aan te toonen dat de opvoeding veel vermag.

Ik heb te Dordrecht wonende een Jonge Juffrouw gekend, welker Vader een groot beminnaar van de Schilderkonst was, en uit dien hoofde zig geneigt vond zyn Dochter in die oeffening te doen onderwyzen, 't geen zy (hoe ongaren) haar Vader

[p. 336]origineel

ten gevalle deed. Zy kwam zoo veer in de Konst, dat wy reden vinden om haar nevens andere Konstenaressen op haar beurt ten Toneel te voeren. Maar gelyk van een waterleiding, door buizen uit een springbron afgeleid, zoo haast'er (door verzuim van agtgeving of andersins) iets aan komt te ontbreken, straks de doorvloeying gestuit is, en ophoud; zoo ging het ook met deze Juffrouw. Zoo haast haar Vader, die haar altyd aandreef, kwam te sterven, hield haar Konstoeffening op.

Een Eetlustige vind zoo veel vermaak niet dat hy lekker gegeten heeft, als dat hy lekker eet. Even zoo heeft een regtschapen Konstschilder meer vermaak dat hy schildert, dan dat hy geschildert heeft. Dit zynze die tot groote oeffeningen bekwaam zyn.

Seneca doodverwt ons een regtschapen schilder, omtrent met de zelve koleur. Het valt den Konstenaar genoeglyker, zeit hy, te schilderen dan geschildert te hebben; de ernstige bekommernisse die hem omtrent het gantsche beslag zynes werks bezig houd, vind een zonderlinge lust in de bezigheid zelve: de vreugt daar en tegen die hy na 't voltrekken van zyn werk heeft, is nergens na zoo groot; hy geniet nu maar de vrugt zyner Konste, daar hy te vooren de Konst zelve genoot, zoo lange namentlyk als hy nog schilderde.

Wy hebben in onze Levensbeschryving reeds velen ontmoet, die 't penceel verwisselden met andere oeffeningen die hun zekerder voordeelen schenen te beloven. Anderen weer die de Konst uit nootwendigheid oeffenden, tot hen een gelukkige Ervenis in den schoot viel, en zy toen straks de Konst vaar wel zongen. Maar dit moet ik 'er met een by zeggen: dat ik ondervonden heb dat

[p. 337]origineel

zulke wel voor 't meeste deel Leerlingen van de laagste school zyn geweest, en geen hoogvliegers geworden zouden hebben; aangezien zy de Konst niet oeffenden uit enkele geneigtheid en liefde tot de zelve; maar ter liefde van hun zelf, en om het voordeel dat zy geeft. Ja ik maak my daar voor sterk: dat my weinig voorbeelden van groote mannen in de Konst zullen aangewezen worden, die, schoon zy geld genoeg in de waereld bezaten om altyd van te konnen leven, opgehouden hebben van schilderen voor het einden van hun leven.

Michael Angelo, had zulke zugt tot de Konst, dat, toen hy niet meer konde zien te werken, nog de schoone voorwerpen te Rome beschouwen, hy zig dikwils daar na toe liet leiden; om door 't voelen en betasten van de zelve zyn Konstlust vernoeging te geven.

Lukas van Leiden kon zig van de Konstoeffening tot het einden van zyn leven niet ontslaan, men vond nog een half afgesneden plaatje by hem op zyn sterf bed.

Pet. Paul. Rubbens, wanneer hy eenige jaren voor zyn dood een wyze van beroertheid in zyn regter arm kreeg, waar door hem niet doenlyk was groote werken meer te schilderen, liet daarom niet as van die oeffening; maar schilderde na dien tyd, Landschappen en andere kleine stukjes voor den Ezel, om dat dus kort by, zyn hand nog op den maalstok rustende, hy 't penceel ter naauwer nood voeren konde. Ook zouden wy een menigten van onze fraaiste Nederlandsche meesters konnen opnoemen, die niet opgehouden hebben van de Konst te oeffenen tot het einden van hun leven, schoon uit hunne nalatenschap genoegzaam

[p. 338]origineel

blykt dat zy 't niet uit nood, maar uit enkelen konstlust gedaan hebben.

Tot dus ver hebben wy gezien wat de opvoeding en leiding vermag, en uit voorbeelden, ook van die welke door natuurdrift aangezweept werden, betoogt dat de zelve al te onvaste voetsteun is om op te bouwen. Nu rest dat wy het tweede lit van de voorstelling in overweging brengen: om te zien of zulke die een lagen geest bezitten, door deftige voorbeelden gespoort, bekwaam gemaakt konnen worden tot groote ondernemingen in de Konst. Dit zal ons min moeite geven als het voorgaande; aangezien verscheiden vernuften hunne pennen over diergelyke stof voor my al hebben afgeslooft.

Spreuken en bedryven van anderen (zeit Gratiaan) zyn in een vrugtbare geest, zaden van scherpzinnigheid, die vervolgens eenen overvloedigen oogst geven van fraaije Redenen. En op een andere plaats: Wanneer de Rede de Natuur volgt, en de verkiezinge zig by de geneigtheid voegt, zoo verrigt zy wonderen waar in het ook wezen mag. Maar zig tot eenige zaken te begeven, met een tegenstrydige drift, is te willen arbeyden om weinig te vorderen.

Beide deze spreuken vooronderstellen een bekwaam onderwerp, te weten: zulk een dat een vrugtbaren Geest, en Rede bezit, en zegt. Dat in zulke de voorbeelden en bedryven van anderen, zaden zyn van scherpzinnigheid, die eenen overvloedigen oogst beloven; en met natuurdrift en geneigtheid gepaart wonderen verrigten. Door welke uitdrukkingen het tweede lit van ons voorstel kragtig beantwoord word, met afwyzingen der zulken die een lagen geest bezitten, als onbekwaam gekeurt tot groote ondernemingen in de Konst.

[p. 339]origineel

Wy hebben aangemerkt dat al een groot deel der Konstschilders, welker levensloop en Konstwerken wy beschreven hebben, Italien bezogt, merkelyk hun Konst verbetert, en weder te rug in hun Vaderland gekeert, preuven van hun verbetering aan elk hebben doen zien.

'T is een groot behulp voor die zig in de Konst willen oeffenen, schoone voorbeelden tot leiding te hebben, daar Rome vol van is. Maar de bevindinge heeft ons ook doen zien, dat 'er velen ook zoo wys van daan gekomen zyn, als zy 'er na toe waren gegaan, en daar alle die hulpmiddelen om verstandig te worden, en een goed oordeel te bekomen: namelyk voorbeelden van brave mannen voor oogen te zien, en toegang tot de Hoogeschool der konsten en wetenschappen te hebben, geene veranderinge of verbeteringe hebben konnen aanbrengen.

De slypsteen kan het mes wel slypen: maar de snee daar aan niet geven als 'er geen staal in is. De Lezer, al is hy geen Edipus, zal ligt raden wat ik hier door te kennen wil geven.

Trage verstanden (zeit Cicero) vernoegen zig met lekende waterbeekjes, zonder naar de regte springaders, die alles voortbrengen, eens om te zien.

Een lage geest vernoegt zig met het geringste in de Konst te behandelen, en gevoelt geen prikkeling van den Roem, daar deftige mannen hunne kragten om hebben afgeslooft, om boven anderen uit te steken. Hy verheft zig nooit uit die laagte, en hy bekreunt 't zig niet dat een ander meer weet dan hy. Waarom zulk een Ezels aard, niet kan bekwaam gemaakt worden tot groote bedryven. Men mag daar omtrent proef

[p. 340]origineel

nemen, zoo men wil; maar 't is stroo gedorst. Dus met recht de spreuk:

 
Zend een Ezel na Romen,
 
Hy zal Ezel weerkomen,

op zulken mag toegepast worden.

 

Dus meen ik klaar genoeg dit voorstel beantwoord te hebben, en besluit met een spreuk uit voorgemelden Gratiaan aldus: Natuurlyke geneigtheid, en volstandige yver, en ik voeg 'er by een goede leiding, zyn de drie zekerste wegen waar door men tot wetenschap komt. Beletzelen mogen de zelve op den weg ophouden voor een wyl, de yver door geneigtheid gespoort, haald door wyde stappen het verlet weer in.

Dit stemt ook Aristoteles toe daar hy zeit: Dry dingen zyn 'er noodig om tot wetenschap te komen, de natuur, onderwyzing, en oeffening: en ten zy dat de oeffening, zig by de natuur, en onderwyzing voegt, is 'er geen vrugt te wagten.

Eindelyk (baat het niet, 't kan ook niet schaden) moet ik de laffe geesten tot den Ezel wyzen, en deze Rymregelen aldus hun toepassen.

 
De jeugt, die domlings henen leeft;
 
En nimmer zugt tot wysheid heeft;
 
Nog voelt haar geest om hoog gedreven,
 
Om eed'ler geesten na te streven:
 
Beschouw haar Beeld in Schildery;
 
Op dat de schaamt haar prikkel zy.

'T is beter (was het zeggen van de Redenaar Antisthenes) dat men tot het leeren spade komt, dan nimmermeer. Want het is schandelyk (zeit* Joseph

[p. 341]origineel

Hal) voor een Mensch, dat hy onder zoo vele Leermeesters, zoo weinig Geleertheid heeft.

Hier meê sluiten wy onze Redenvoering, alzoo de Gordyn van den Schouburgh reeds opgehaald word, en een der Konstenaren ree staat ten Toneel te komen.