De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jakob Gellig]

Hier aan volgt JAKOB GELLIG een Uitregts kint, getrouwt met de Dochter van Adam Willarts. Hy was eerst een Koopman, maar begaf zig naderhand tot het schilderen van allerhanden Visch, inzonderheid Rivier-visch, die men t'Utrecht meest heeft, dien hy al heel natuurlyk en geestig wist te schilderen. Hy was potsig in zyn omgang, dog dit bragt hem weinig voordeel aan. Als nu de Fransen in 't jaar 1672 Utrecht in bezetting hadden, kon hy weinig van zyn schilderyen aan den man krygen: en dit was allen (als het spreekwoord zeit) zyn Paard en Ploeg. Dus ondernam hy het pourtretschilderen. Maar alzoo niemant de eerste wilde wezen sleurde dit zoo wat eer hy werk daar meê kreeg.

Eindelyk kreeg hy een Vrouw te schilderen, dog die zei, (na dat het stuk afgemaakt was) dat het

[p. 62]origineel

haar niet geleek, maar dat het haar Nicht zoo volkomen geleek, dat het haar (al hadze daar zelf voor gezeeten) niet beter zou hebben konnen gelyken. Wel! zeide Gellig daar op; is dat niet goed? hou het voor uw Nichts pourtret. 'T is my evenveel op wat naam dat het betaalt word, als ik maar geld kryg.

't Ging dan met hem als Jan Vos, zeit van Mathys de Schilder, die niet wel deed gelyken.

 
Aan 't schildren schynt Mathys een fyne Geus, zeit Toon:
 
Want als hy schild'ren zal volgt hy de tien geboôn.
 
Vraagt gy hoe dat hy volgt om 't Wetboek wel te raaken?
 
Men ziet hem nooit door Verf gelykenissen maken.

Gellig was in 't eerst vry wat verwaant op zyn Konst, en had voor manier, anderen over begane misslagen te strepen, maar die hoogmoed daalde naderhand wel.

De verwaande (zeit Gratiaan) tragten zig te verheffen tot boven de hoornen van de Maan: maar de zelve zyn gevaarlyker dan die van een Stier; want die buiten zyn middelpunt helt, is wel haast gedrongen te vallen, en een ander ten spot.

Jan Vos zeit geestig in zyn puntdichten van verwaanden Flip:

 
Flip heeft een gaaf (zeit hy) verkregen van hier booven;
 
Maar 't Volk heeft weêr een gaaf van Flip niette gelooven.